„Of ze durven? Is dat dan niet zoo? Was saak se dervon? van de gotspe tegenover de Jid? De klinkklare russische kozakkenmanieren zijn het....”
„Ik zou toch naar de leeraar gaan als ik jóu was.” „Natuurlijk,” zegt Evelien. „Je kunt naar de leeraar gaan. Naar het Hoofd. Maar och.... hij zal ook wel het zijne doen....” Jankef kijkt daarop naar Eli; die kijkt bitter vóór zich, en blijft zwijgen.
„Meneer, als ik naar de leeraar ga, dan zegt-ie: Leefmans, dat zijn zaken buiten de school (Jankef bootst dadelijk den toon van plechtige ambtelijkheid na, zooals hij zich dien denkt bij Heideman). „Wat buiten de school gebeurt beste vriend (Evelien glimlacht) daar mag ik me niet mee bemoeien. „On so gyh ich nach haus. Jaaaa.... als meneer Meyer misschien komt....” „Ik?” (Eli heeft lust naar buiten te loopen; vader is weer aan het flateren). „Dat kan ik niet doen. Dat ligt heelemaal niet op mijn weg.”
„Niet? Nou, als het niet op je weg ligt, een omloop hoef je der niet voor te maken,” spot Jankef, „maar mijn helpt het niemendal. Ja, ik moet zeggen: jodenvyand en jodenvriend zijn vandaag bezig geweest.”
Meyer knikt; hij denkt aan zijn eigen ervaringen, maar laat er hier niets van los.
„Als men het ééne zegt moet men het andere óók zeggen: de één heeft ’m zijn sleutel van de schuur uit de handen gepest, en de ander.... óók een sjalf, vind ik mét ’m bij dezelfde schuur, ja meneer dat is ook de moeite waard! heeft het van ’m gehoord en is mèt ’m naar de smid gegaan en heeft ’m uit zijn eigen zak een kompleete nieuwe sleutel laten maken, en het slot uit genomen en er weer ingezet. Ja, als een vrind! Is dat ook mooi of niet? (weggeduwd wordt de wrevel tegen Ma-rius uit lust tot vermeiing in de zeldzame ontmoeting). Men zou zeggen: waar God een vijand stuurt, daar stuurt-ie vaak een vriend dernaast mee met dezelfde zending, ’n Mirakel meneer?”
„Zoo? Dat is mooi.”
„Is dat niet mooi?” Hij richt zich tot Evelien, die vol sterke ingenomenheid met dat vleiende beeld van den Christenjongen, zijn blik tot zich trekt. En Jankef, opgedreven door de verlokkende aanwezigheid van de mooie burgerlijke jonge vrouw, verheerlijkt Marius de Bree, den jongen van den westerschen Intellectueel, het „fijnste soort Gajes”, en Evelien’s ideaal. „Een fijn soort van menschen?” bezingt Jankef de lichamelijke
120