„Komt ook niet te pas,” zegt Meyer (hij bedoelt: over te vertellen in dit mijn geval.)
„Heeft-ia ’t je ook verteld meneer? Die geschiedenis van z’n school?”
„Jazeker. Ik heb ’m erom geprezen. Het is zéér goed, in zijn positie.”
„Wat zeg je nou, meneer?”
Eli kijkt strak voor zich, dan snel even op, van Jankef naar Bet je.
„Ik heb ’m gezegd,” Meyer herhaalt zich in de plechtigheid van vanmiddag, met een korte hoofdwending naar Eli, „dat het zeer prijzenswaard is om de Joodsche leergierigheid en ijver hoog te houden.”
„Vader weet ’t niet, meneer.”
„Weet Vader ’t niet? O, nou dan bemoei ik me er verder niet mee.”
Maar Jankef is niet tevreden.
„Hij heeft me verteld dat-ie vandaag de hoogste, nommero èèn van de klas is geworden.”
„De hoogste van zijn klas? Zoo? Dat heb ik niet geweten. Zoo, nou dat is netjes, waarachtig. Ik heb het niet geweten.”
Een hulpeloos grijnzende knik van Betje van Gelderen.
„Och, Vader interesseert zich daar niet zoo voor,” zegt Eli half vertrouwelijk naar Meyer. En jij eigenlijk ook niet, bedoelt hij. „Zoo! En heb je ’m daarvoor geprezen meneer. Zoo!” Het feit, voor Jankef onbelangrijker dan één goed antwoord op een vraag omtrent de Joodsche Leer, stijgt door Meyer’s woorden toch tot geheimzinige waarde voor hem. Maar zijn verbolgenheid tegen die on-joodsche school die de verloocheningen tegen hem brengt zooals vandaag, is toch te diep dan dat hij het als een doorkende verheuging kan vieren. Hij verzet zich een beetje tegen Meyer; Eli moet maar liever niet al te knap worden op dat gebied, „de man is nou toch al stolz genoeg in zijn keeltje.” Maar Meyer spreekt hem weer tegen: algemeene ontwikkeling moest hij zelf ook zich bijbrengen; daarzonder kan hij nooit de plaats bezetten die Jankef hem wil zien innemen. En hij staat op: „Kom.”
Dat is het oogenblik waarop het bezoek pas zijn waarde krijgt voor Jankef. Nu staan zij tegenover elkaar.
„Ik dacht dat-ie U die sleutel-geschiedenis verteld had, meneer.”
„Die? Tja, wat zal men daaraan doen. Ze durven nog heel wat.”
119