„Komt erin meneer, juffer,” is als een piepje.
„Geeft eens een paar stoelen,” roept zij in die zenuwachtigheid angstig bevelend tot Eli. Het wekt in Eli kalmte, beheerschte spanning, vastbeslotenheid, als een levendige rust. Hij heeft zich al tegen vader gesteld, en in dit uur, na dezen dag, kan niemand hem hier meer wat „maken”. Hij zet stoelen voor beide gasten neer. Meyer neemt zijn hooge hoed af en legt hem op zijn knieën. Als Evelien gaat zitten, is het of Eli de heerlijke holheid voelt van de duizeling waarmee zij hier is binnengevallen.
„Wat is het hier al donker,” zegt zij tegen beter weten in, „nee? vind jullie het hier niet donker? God ik vind het hier al donker.”
Meyer geeft Jankef de envelop. „Ik kom je dat even brengen, waarover je vanmiddag....”
Hij houdt zich alsof het heel moeilijk is voor Jankef hem dadelijk te vatten.
„O meneer. Dank je wel vriendelijk. Doet me best veel plezier. Ze komen vanzelf op de afgesproken tijd weer op de plaats van afzending terug. Maar het doet er niet toe: doet me een groot plezier dat je ze komt brengen. Ik heb nog gedacht dat ik ze aan de overkant moest gaan vragen. Ja dat kan niettemin: bovenste beste Gooj.”
„Wie?”
„Mijn buurman hier aan de overkant, de timmerman. Geeft ze me met alle soorten van ingenomenheid. 0 ja. ’n Gooj van goud! ja een éérste klas jodenvriend! maar nou hoeft dat ook alweer niet.”
„Zoo? nou, gelukkig dat die er dan tenminste ook nog zijn,” zegt Meyer keurig bitter met een blik naar zijn dochter. Haar oogen antwoorden met den hollen glans van een schrikje, dat naar binnen slaat, en daar roert.
„’n Kop thee of koffie, juffer? U meneer?”
Zij bedanken. En Betje kleurt. Zij weet dat zij bij Jankef’s eerste vrouw wel dronken, en dat zelfs een keer een van de meisjes er een bord middageten nam, en dat zij vies van haar zijn. Jankef wil hun tegenzin negeeren, en dringt aan: „Zét het maar Bet! dan drinken ze het wTel. Moe’j ook niet vragen, maar doen!” Maar het helpt niet en Eli geeft het paard van zijn gedachten de sporen om deze pijnlijke overwinningshoogte zoo snel mogelijk achter zich te laten.
„En dan,” zegt Meyer die eigenlijk allerlei te zeggen heeft maar zich niet op zijn gemak voelt op zijn stijve stoel, even-
117