„Nou dat doen we dan nog wel ’s,” stelt Jankef hem tevreden alsof hij een politie-man, een deurwaarder, een ingekwartier-de vijand was.
„Nou hier is de sleutel. Hij past perfect hoor.”
„Zoo, perfect?”
Jankef kan niet bedanken, hoewel het nalaten hem moeilijk valt.
„Spuitje weer bij de smid terug brengen. Nee, dat doe ik wel. Nou.”
Hij schudt Eli de hand. „Jö, je houdt je maar taai, hoor. Och, laat die jonges maar lullen; je trekt je der niks van an.”
Eli bedankt hem nu.
„Och zanik niet jö. ’k Heb ’t al gehoord, ’t is netjes zoo, hoor!” Hij lacht luid en wat vrijer op. „Dag Leefmans!”
Jankef heeft hem peinzend bekeken. „Dag.... jongeneer,” groet hij. Hij kijkt hem na. Zwijgend en vlak, als Marius zich op een afstandje omkeert, zien zij elkaar nog in de oogen. Jankef, terwijl hij er van zucht, tot Eli op weg naar huis:
„’t Is toch wel mooi van ’m, dat-ie de sleutel nog zelf wou betalen.”
„Kost ’m een gulden.”
„Mooi is ’t zeker.” (Een gulden, voor beiden een overtuigende werkelijkheid). „En toch is het een buitengewone brutale gotspe-poonem van een jonge. Maar ’t is mooi. Een jidde-vijand is het in alle geval niet.”
„’t Is ook een vriendje van Max.”
„O. Nou, daarom hoeft-ie ’t nog niet van mij te wezen. Maar een jiddenvijand is het niet. Dan zou-ie zeker daar niet gestaan hebben. Met jou mee te gaan: kom we zullen samen dat slot weer in orde maken, en niet lullen, maar doen — ik moet zeggen ’t is knap. Buitengewoon fijn brutaal sjalf; kan ’t niet anders zeggen. Een buitengewone fijnheid van een fieselemie van een gestudeerde kop. En een paar oogen potverdomme zoo groot als van die glazen stuiters, en van de allergrootste dan. Potverdomme wat een paar oogen heeft dat sjalf in zijn kop. Een stommeling is het niet. (Eli laat vader gaan: diens opgezegde onderzoek ondersteunt zijn overdenkingen aangenaam). En een baas van een soortement van een opzichter of inze-nieurs-liefhebber, geloof dat maar. Dat als-ie twintig jaar is dan is-ie wat mans! Dan kommandeert-ie ook nèt zoo kalm honderd man precies als-ie daar die schroefies in het slot van de schuur zet. Ho man, zoo kalmpies-an. (Hij trekt een mondje). „Ga jij ’s even dat.... En jy doet zeker dat nou even hè?
112