eigen dalles nog niet eens. Overal kan iedereen met zijn pooten aanraken, en je hebt niets, niets over niets te vertellen. Ach God, vader van Israël, wat is dat allemaal mies.”
Hij kijkt in de schuur: met het afgeschoten hokje erbij; klee-ren, ijzer en meubelgeraamten. Het mag dan niet veel zjjn wat David er heeft ingébracht en het is niet veel, maar als de laatste vracht morgen er nog bij komt, gaat die er niet meer in. Straks maar aan de buurman vragen om berging van een paar knapste stukjes voor een paar dagen. Boe! Een beetje veel zweet is het wèl dat aan het vuile gedonderjaag zit om door de wereld heen te komen. Hulp van de groote jonges vroeger was óók een sof. Maar het was dan toch wat. Je moest ze daar wel alle dagen voor te vreten geven. Jankef voelt: dat was wel zwaar. Maar daar zat toch ook pleizier aan, aan dat leven. Het is geweest: niks aan te doen. Kan niet worden teruggehaald. En in zijn vermoeidheid aanvaardt hij het zonder veel weemoed. Het is alles veranderd: een heel leven ligt al achter hem, vol, en nog steeds duurt het, en staat krachtig in hem. Al staat het niet meer zoo vol gestalten óm hem. Nou is die Eli er, zoo anders als de anderen. Iets heel aparts, dichtbij en ook veraf. Maar ook dat is er, en er is een bijna onverschillige taaiheid in hem, waarmee hij, ook de verwijdering, ook de ontstijging van het zijne aan het eng-eigene, aanvaardt.
„Wil ik ’m der nou maar even verder inzetten, Leefmans? ’t Is nog maar één schroefje.” (Dat is de stem van vandaag; hij moet antwoorden; het verleden is weg).
„Ja dat is goed, best. Je doe-maar....”
Jankef staat er bij; kijkt naar Eli, dan weer naar de handen, die met nieuw pleizier draaien en vastzetten. Marius neemt zijn olie-spuitje.
„Wat nou nog? Was der nog meer te verzorgen?”
„Ik wou even die scharniertjes smeren. Ze piepen zoo.”
„O, piepen ze. Dat is niet zoo mooi als ze piepen.”
Marius moet zijn wil met hardheid op zijn kleine bezigheid zetten, tegen het diep-wantrouwende, moeizame dulden en de schuldig stellende spanning van een leed-gevoel dat Leefmans steeds weer over hem heenlegt. Maar hij houdt, eenmaal sterk in de overtuigdheid van het nuttige van zijn daad, tot het laatst toe, al is zij niet gaaf, nu zijn hernomen beslistheid. „Ziezoo,” zegt hij, terwijl hij de deur nu geluidloos heen en weer beweegt, „nou hoor j’t niet meer. Anders blijft zoo’n deur zoo vervelend knarsen. Moest eigenlijk van boven een stukje afgeschaafd. Dat is heelemaal verwrongen. Affijn.”
111