vol achterdocht. „Wat was er eigenlijk aan de hand?”
Het is heel anders dan Marius hier verwacht heeft. In zijn onbewuste voorstelling was dat, naar wat hij wist, en naar wat hij bij dit schuurtje en zijn inhoud vond passen, iets volkomen on-persoonlijks en verslagens. Iets dat vriendelijker zou zijn, ja onderdaniger dan de smidsknecht voor de belangstelling in het smidsvak, en voor het dubbeltje.
Deze tengere maar rechte en levenskrachtige man is van die wereld die hij straks in Eli aanvoelde, van die wereld van spannende onmacht, iets positiefs; hij staat daar rechtop in; hij is het minder verontrustend dan Eli, maar in zijn mannelijke waardigheid beslister. Marius heeft zijn schroevendraaier teruggenomen; hij kan nog geen woord uitbrengen.
„Ja,” drift Jankef tot Eli, „as je me nou maar wou vertellen wat dat allemaal moet beteekenen?” „Hier in het water? Wat een.... En heeft hij dat? O, jonges van je klas? Het is niet om te gelooven. Zoo’n brutaliteit. In het water? ’s Jonge. Dat is een brutaal stukje hoor. O, en U zet er een nieuwe in. Ja, je moet ’t mijn niet kwalijk nemen (Jankef’s ergernis vaart over de verlegenheid van den jongen heer heen) maar prettig is het niet voor me, om zoo hier op aan te komen en iemand die je heelemaal geen boe of ba of gezicht van kent, om die bezig te zien met je eigen dingen, die je van jezelf beschouwt, versta je wel?”
„Jazeker. Jazeker. U hebt gelijk.”
„Ik was bij Max in de tuin,” komt Eli nu tusschenbeide, „daar heeft hier, de Bree, gehoord wat er gebeurd was. En nou heeft-ie me geholpen om het heelemaal in orde te maken.”
„Ja maar ik kom hier toch maar zoo pal kom ik hier vóór te staan,” verzet zich Jankef, „dat is toch iets om van óp te kijken, (hij spreekt tot Eli met een zij-blik naar Marius, nog steeds geërgerd) dat daar iemand aan het slot van mijn schuur bezig is.” „Jazeker. Jazeker. U hebt ook gelijk. Het is ook gek voor U.” In zijn gevoeligheid beleefd-schuldig, bijna onderdanig. Marius’ bedremmeldheid, zijn blos, zijn groote kinderlijke oogen, hoewel Jankef ze zelf zoo heeft, niets van Marius’ beminnelijkheid merkt Jankef op. Eli weet het: louter Marius’ oneerbiedigheid jegens hun armoede treft Jankef, de bedekte driestheid waarmee hij het hunne durft naderen en in beslag nemen.
„Het is niet te begrijpen,” zegt Jankef opgejaagd, „hoe iemand het durft te doen. Om een ding dat van je is, te durven vast te houen en dan weg te durven gooien! Is dat dan te begrijpen,
109