dom die zich over hem heen buigt, en hem goed en vast komt beschermen, hem de kracht schijnt toe te zeggen van een verrassende genegenheid.
Jammer dat zij nu niet langs komt. Ja, het is wel niet zoo prettig, bij de schuur. Maar nu de Bree er is, want dan vindt zij mischien de schuur zoo erg niet meer: gewoon een bedrijf. Kan dat niet? waarom kan dat dan niet? Dat zij de schuur gewoon ziet als een ding van een bedrijf ? Andere jongens hun vader hebben toch ook allemaal een vak? Waarom kan zij dat alles niet aanvaarden? Dat menschen op de wereld zijn en een of andere arbeid doen? De een dit, de ander dat? Ja, kon het zóó zijn! Dat hij zich niet zoo angstig hoefde te schamen.... Dat het bestaan van vader, dat hem toch lief is, geen kwelling was tusschen vader zelf en het andere dat hem ook lief is. Een kwelling, een drukkende kwelling.
En dan is het toch altijd een aandoening als zij langs komt (nu hij toch eenmaal verliefd op haar is!)
Zij komt niet, maar hij hoort wel een stap om den hoek naderen. Het is Jankef. Jankef laat zijn hoofd onderzoekend zakken en kijkt scherp, verbaasd, wantrouwend onder zijn pet uit en zijn stap versnellend, naar die bewegingen bij de schuurdeur. Daarop is Eli eigenlijk geen oogenblik bedacht geweest. En waarom niet? Vader komt zoo vaak bij de schuur; het is vlak bij huis. Dat is verschrikkelijk. Wat wil hij in ’s hemelsnaam wel verlangen van Louise van der Wal.... Hij zou nu Jankef al wel weer weg willen tooveren, of Marius. Maar hij weet nu dat er toch schuldigheid aan Marius is, want hij schaamt zich meer tegenover Jankef dan tegenover de Bree. Ja, met Jankef heeft hij toch een pijnlijkheid samen. Vader’s komst toont het hem juist.
„Zoo ouwe,” zegt Jankef; maar hij loopt hem meteen voorbij, op den langen bezigen jongen toe. Jemie Krimmie, dat ook nog, dat gloeiend-vervloekte „dag ouwe” van vanmorgen. Eli wTil niet zoo lijdzaam blijven. Hij loopt op Jankef en Marius toe:
„Hij maakt het slot weer,” zegt hij dapper. „Hij zet een nieuwe sleutel in.”
„Een nieuwe sleutel?”
Marius voelt dat hij wat veel heeft aangedurfd. Hij kan de laatste schroef haast niet meer vastzetten, zoo verrassend en onthutsend, treft hem de nadering van den eigenaar van dit schuurtje. En van Hanna’s vader.
„Jongeneer?” Open peilend recht in de oogen. Maar de toon 108