zou er iets dankends van willen zeggen, maar hij wordt teruggehouden door de vrees dat het verkeerd zal worden opgenomen.
„’n Hoop geld hè? Zoo’n sleutel,” probeert hij.
„Och jó, maak je daar maar niet bezorgd om.”
„Je moet het eigenlijk van van Wyhe en van Marken terug hebben.”
„Ik vraag ze ’t geeneens. Laat ze naar de bliksem loopen. Lui daar nou maar niet verder over na. Jij zou ’t toch zeker ook doen als je ’t hadt?”
„Als ik ’t had, misschien wel.”
„Nou maar dat zie ik wel, jij zou ’t zeker ook doen; verdomme jó, je moet mekaar toch helpen. Maar as je nou maar wil aannemen dat we allemaal niet zulke mietersteenen zijn als die jonges van jouw klas.”
„O, nee natuurlijk niet. Dat begrijp ik wel.”
Tegen zooveel nadrukkelijk betoonde sympathie kan Eli niet in verzet blijven. Ze ontroert hem. En hij kan zijn gewaarwordingen niet tot eenheid brengen, daar bij dien langen rijken jongen die zoo opeens uit de wereld naar voren schiet, met vriendschap van overtuigende woorden en met een daad, die wel niet volledig prettig is, maar waarmee hij zich toch helpend in Eli’s moeilijkheid en belangen zet. De lange jongen staat nu in het slopje aan het schuurtje te werken; af en toe staat hij met ingehouden bevreemding naar dien donkeren af-val-handel te kyken van wrakke meubelen en hoopjes afgedragen kleeren op den steenen vloer, kapot keukengerei, bergjes voddensnippers en schots en scheef door elkaar gesmeten brokken en staven roest-ijzer; een vochtige mufheid slaat er uit naar buiten. Al het leelijke en ook het heilige van het dierbare Geheim, ligt, voor Eli pynlijk, naar Marius’ blikken open. Eli heeft een oogenblik dat hij, naar de rivier gekeerd, den heelen dag aan zich voorbij voelt gaan, en hier moet hij dan wel aan vanmiddag denken toen, terwijl hij de kar nam, zij met Mientje Wiegand gearmd voorbij ging, die groote hoornen daar langs, aan het water. Drie uur later hebben er die gemeene Gerrit Jan van Wyhe met die laffe Paul van Marken gestaan, en zijn sleutel in het diepe water durven gooien. Was deze Marius er toen maar geweest! Dat is toch wel zoo, dat hier een helper, een beschermer staat.
Een spanning bij de gedachte dat Louise van der Wal nu nog eens voorbij zou komen. Hij is met een jonge van de H.B.S. Ozoo. Een beetje dronken staat hij er toch wel van. Die rijk-
107