„De Joden bedoel je?”
„Ja.”
„De Joden waren in Palestina toch landbouwers.”
„Ja ja natuurlijk, daar ben ik mis in. Ja ik weet het wel hoor! Het is ook een rotzooi! Ik weet het ook wel hoor, dat wij feitelijk in het ongelijk tegenover jullie zijn.”
Dat is toch een aandoenlijke bekentenis. Met een kameraadschappelijk jij en jou tot den knecht bestelt Marius bij den smid den nieuwen sleutel op het slot, in een liefde voor het vak en het ding, die hem dadelijk doen slagen. En hij krijgt een oliespuitje mee, om de scharnieren van de deur te smeren, die hij heen en weer bewogen en beklaagd heeft alsof het zijn fiets of de deur van zijn moeder’s slaapkamer was. Hij staat met Eli bij den grooten glanzend-zwarten boerenknol die in den hoefstal met zijn beplokte pooten tegen de zij-latten staat te slaan, terwijl zijn hoef gebrand en gevijld wordt. Marius vindt zoo’n paard wel fijn, „maar jong,” zegt hij, „ik vind zoo’n mo-tor-tractor toch heel wat mooier over ’t land. Over tien jaar dan zien we geen één paard meer voor de wagen of de ploeg, allemaal auto’s en motoren. Die halve garen van jouw klas die willen nou wel naar Mexico (hij schiet in een lach) om daar paarden te vangen en God weet wat ze daar wel willen vangen, misschien wel meissies, haha! maar laat ze mij nou maar net zoo lief naar het hartje van New York brengen; daar zou ik mijn hart ophalen jo.”
„Denk je dat het daar mooier is?”
„Och dat is toch veel fijner. Tenminste voor mijn idee hoor! Ik weet niet hoe jij derover denkt? Maar het lijkt mij toch wel vader, als ik jou zoo aankijk.... dat jij ook wel voor de moderne dingen zult voelen. Ik zou ’t fijn vinden, al die nieuwe dingen die ze daar gemaakt hebben. Die Amerikanen die zijn zoo verdomd knap in de techniek. Alles met fijne machines en zoo. In Amerika daar jagen ze met motor-tractors door de bouw-velden heen, da’s niet zoo’n rot-land als hier, wat dacht je. Ja,” zegt hij rustig en beslist, „jij bent er ook geeneentje die daarbij blijft, bij wat je nou dan bezig bent te doen. Rabbi of hoe dat heet, daar blijf jij ook niet bij. Dat zie ik ook wel.”
Eli kijkt voor zich. Die scherpte en vriendelijke flinkheid ontstellen hem nu toch even, al kan hij op die voorspelling geen enkele verbinding in zichzelf vinden. Met een gulden uit zijn broekzak heeft Marius negentig cent voor den grooten sleutel betaald en een dubbeltje voor Jan van ’t Oever, den gebochelden knecht, die het ding heeft uitgeschaafd tot het paste. Eli
106