dat het verslag niet eens fatsoenlijk tot het einde toe is ange-hoord.”
„David,” nijgt Fie overmatig nadrukkelyk, „Och! je weet het ommers wel! David heeft een beetje èrg lang stilgestaan by het „nee. En het Ja—nou”!
„Maak niet zoo’n drukte,” straft Herman rondkijkend, „heeft David...”
„Ja. Ja!”
„Nou, als dat zoo is, dan zal het wel zoo wezen. Maar dan is het toch in elk geval met gróóte moeite gegaan.”
„Ik wil het,” zegt Jankef, „in het geheel der niet meer over hebben. Nee. Ik schrijf niemand de wet voor, maar ik weet w’el dat ik op het oogenblik David zijn krummeltje goed in mijn schuurtje heb. En wie het dan weigeren wil of heeft willen weigeren, die moet dat dan maar voor zichzelf weten.” „Wat meen je,” bijt Ozer nu rechtstreeks, „meen je soms dat in mijn huis bergplaats voor dat goed is? voor de vuile-vuile? Wij hebben een exportslachterij en geen goederenloods voor tweedehands artikelen. Geen half ons ook niet in mijn huis.” „Groot gelijk,” zegt Jankef langs hem heen. „Maar bij mijn wordt dan zooiets niet geweigerd. En dat hoeft me niet verteld te worden door niemand.”
„Zij mengen zich met de zwijnen,” steekt Ozer nu weer op Jan-kef’s huwelijk langs zijn panatella heen, „en hooren hun geknor niet meer noch ruiken den stank van hun uitwerpsel!” „Nou,” zegt Jankef, „geknor of geen geknor, vaste of losse zwijnen, dat is goed.”
Ozer zit van dien tik fronsend voor zich heen te kijken: Jankef doelt op zijn en Herman’s liefde-verbindtenissen; zij hebben elk een vrouwtje; Ozer een van een varensgezel, die hem om het kwartaal een paar weken de hei instuurt, omdat de man thuis ligt. Herman durft wat minder gevaar aan: hij houdt er een ongetrouwde op na, een uitschotje dat hij op haar vijfendertigste tot vrouw heeft gemaakt.
„En dus,” brandt Jankef naar Herman, „ik kan dus geen vijftig gulden krijgen voor vier dagen?”
Van alle kanten brult het geschreeuw om hem op. „Verschwartzter gekken hond!”
„Wie zegt dat da-a-a-an?”
„Ijzeren gek! Wie zegt dat?”
„Zeg ik dat?”
„Wij-goochem! Doordrijver!”
102