„Ook een zorreg,” weert Fie af, „’t is toch allemaal maar spul.”
Jankef vindt het spul pijnlijk en belachelijk; laat zijn thee staan en kijkt minachtend voor zich, om de jongens die dat zoo dulden. Dan, tot Herman, zegt hij:
„Eerstens kan David het niet gezegd hebben; want tweedens heeft-ie zijn goed in mijn schuur gebracht. En derdens kom ik nou zelf plaats tekort zoodat ik strakkies bij de Gooj tegenover me om ruimte moet gaan bedelen. En vierdens hoeft mijn niet op een Raboonem-achtige, preek-achtige manier verteld te worden wat ik op dat gebied moet doen of beter doen of laten, want daar hoef ik geen lesjes voor aan te nemen, alhoewel ik weet dat men niet veel kan doen.”
„Hihi! hoho! Herman!” roept Ozer, „hou je stil! Bederf de smaak van het genot niet! Geef niet te snel antwoord want ik proef de vreugde op mijn tong en het hart maakt zich vroolijk over de Pharizeeërs! Hihi, hoho! Het is de Paus! zal ik sterven hij spreekt! hij geeft een voorstelling voor het volk! hij verschijnt met zijn grijns op het balcon van het vati-caan! Hoort! Ik zal sterven de stem komt regelrecht uit Rome! O! foei foei! Het is mirakels! Hij barst van ijdelheid en de honing stroomt uit zijn klappende mond; hij steekt zijn veeren op en schreeuwt met afschuwelijke klanken! Zal ik sterreven de Paus en de Pauw tegelijkertijd! hihi! wees stil! Rederf het niet, want het is een goed oogenblik dat zijn goud uitstroomt voor degene die het zien kan!”
„Heeft-ie zijn boel al in jouw schuur geborgen?”
„Ja.”
„David?”
„Ja, David. Zijn boel in mijn schuur. Gister bij me geweest en vandaag zijn vrachtje gebracht. Goed verstaan? En nou wil ik me der niet op beroepen, zooals dat heet. Maar die eigenste David heeft in geen zes maanden tegen me gesproken. En evenwels heb ik ’m dadelijk toen-ie gekomen is, zijn zin gegeven. Omdat-ie gekomen is. Versta je goed?”
„De vrouw,” wreerlegt Herman, „heeft zooveel tegenstand geboden....”
„De vrouw,” herhaalt Jankef, „Brrr! de vrouw heeft heele-maal niks geboden, want de thee was op en wij waren hard aan het sappelen, öf David liegt, en dat kan ik eenvoudig niet gelooven want dat zou te erg wezen, (nee, knikken de meisjes) óf er is zóó aan de verkeerde kant, in mijn nadeel gezocht, opdat mijn toch in godsnaam de les kan worden gelezen,
101