en schorre stem, „vraag wat het ’r aangaat. Spuit elf geeft altijd water, mankeert nooit.”
Ozer bemoeit zich met Jankef’s vraag niet direct. Hij zou er niet aan denken het hem te weigeren, maar hij kan er zijn portie plezier niet aan laten zitten. Hij zwelgt aan de eerste vijftig snelle trekken van zijn versch opgestoken fijne lange sigaar, met zijn dikke lippen in den vollen donderbus-kop, in een heftig speelsch genot dat hem schijnt te bezetten, maar dat niet meer dan een prikje is in den reusachtigen, bol geladen ballon van zijn zinnelijke energie.
„Puik-puik! zal ik sterreven puik-puik!” bezingt hij met half genepen oogen zijn panatella, hoewel hij, buiten den onge-wenschten Jankef, geen belangstellend toehoorder heeft, want Herman, „de mien”, rookt niet.
„Hij is niet vuil-vuil, maar hij is puik-puik! hoe-oe-oe, wat een sigaar, wat een sigaar! hoe kunnen ze ’t maken! hoe heeft God het de zwijnen in de klauwen geschapen! een kunstwerk van een sigaar! een uitvinding, een genot om bij te stampen, te schreeuwen, te kreunen! daar zijn geen woorden voor te vinden. Het maaksel is zuiverder dan koningslekkernij, en de geur is gelijk brandend cederhout van de Libanon!”
„Gek! Laster God niet! Blijf liever niet zoo voor schandaal zitten!”
„Den heelen dag,” klaagt Herman, met een bijna even diep genot als van Ozer in zijn panatella, „heb ik die schwanz al gezegd, trek je broek an. Blijft zóó zitten. Als daar straks een fatsoenlijk mensch binnenkomt (Ozer grijnst: hij is goed) zit-ie daar nog in zijn vuile onderbroek. Zoo’n gek,” laat hij uit onzekerheid jegens Jankef op zijn beleediging volgen.
„Oser als Gazzer,” (zoo onmogelijk (verboden) als varkens-vleesch) „dat het begrijpelijk is,” overweegt Ozer nu luid, „dat er van zooiets nog wat goeds zou komen; de appel valt wèl vèr van de boom!”
„Wat nou. Nar.”
„De jonge zingt bést,” verklaart hij zijn aanval op Jankef, „’t is onbegrijpelijk.”
Al wat Jankef antwoordt is: „As je d’r nou inplaats van Ooser as Gazzer Ozer as Gazzer bij zei, dan was ’t héél misschien iets of wat begrijpelijker.”
De meisjes lachen. „Hij is goed,” zegt Rachel, „hij heeft het verdiend, zal ik sterreven.”
„Nooit zijn levensdagen,” gaat Ozer voort, „komt er iets goeds uit. Het is een godswonder van die jonge. God alleen kan vijgen
99