komen uit die aartsvaderlijkheid. Ozer in zijn blauwe graflinnen onderbroek, waarover een los wit overhemd hangt zonder boord of das, zit met clownig-speelsche verrukking aan zijn lange sigaar te trekken: een kop met bakkebaarden als een reusachtig ei, dat aan den voorkant voor de gezichtstee-kening is ingedeukt. Een korte, dikke neus, dikke lippen waarvan de onderste gespleten is, diepliggende, donkerbruine oogen, met iets meer scheppend vermogen dan de dolsten onder hen; tegenover al die zwellende bolheden van den kop vertoonen zij de smartelijkheid van een vergeefs omhoog krampende, gistende en zichzelf wondende kern. Hij blijft omlaag zien zonder groet; door zijn brauwen en wimpers drijft zijn lust tot ontlading een wolk van fijne spotstof naar Jankef. Fie, zonder eenige aarzeling door Klaartje de Jong na den dood van haar man verdrongen, zit altijd achteraf, geduld, bestookt, gekweld met precies zooveel volgehouden kwaadaardigheid als zij verdragen kan, en met vanzelf sprekende tevredenheid gehandhaafd omdat zij het verdraagt, en omdat Herman haar vijfhonderd gulden opgespaarde dienstmeiden-loon in zijn zaak heeft; zij zijn niet vuil genoeg om het te loochenen en haar buiten de deur te zetten: het is slechts hun behoefte aan het spel van verstootelingen maken en het nu en dan zelf te zijn.
Jankef kan zich hier amper houden; hij krijgt zijn vijftig gulden mee van Herman, maar zijn saamhoorigheids-idylle neemt hij met flinke klappen en scheuren weer mee naar huis. Hij wordt een beetje gehoond, uitgelachen, van alle kanten aangeschreeuwd :
„Kan ik ook temet voor een dag of vier hoogstens....”
„Je bent vandaag precies de derde. Het is net potverdomme of het hier een boerenleenbank is.”
De vrouwen zwijgen daarop; alleen Fie, met den vrager saam-hoorig, wendt haar kopje veroordeelend op zij af.
„Kijk daar,” (Herman’s langere, hoewel ook zware kop, de neus ook langer; de oogen, even diep terugliggend, kunnen valscher duiken dan bij wie ook van hen) „staat het je weer niet an?”
„Zeker staat het me niet an. Als-ie wat verdienen kan, heeft-ie der niks an of der nou drie of vijfentwintig geweest zijn.” „Geef jij ze ’m dan!”
Ze laat haar oogleden minachtend vallen, het geheven hoofd scheef, zonder te antwoorden.
„Altijd het grootste woord, die,” spot Klaartje de Jong’s diepe 98