Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



„Ja, allebei. Hè-je ze noodig?”

„Ook vreemden derbij of zoo?”

„Vreemd volk is er niet.” Rachel houdt zich in de ruimte met haar sympathie. De gloeiende blik naar hem op, de blik van haar zuster Klaartje, van haar driftigen broer Salomon, maar dan zwart glanzend als levend glas, dat in het wit op- en omwentelt. Haar wipneus houdt haar kop in de heksige vriendelijkheid van een furie; haar toefje sluik gitzwart haar (want zij zijn allen behalve Fie, zwarter dan Jankef) haar breede mond en haar gedrongen nek heelden die opgelegdheid, die enge opeenhooping van pauperkracht die petroleuses, roerige volksleiders, aanvuurders meer dan aanvoerders van massale instinct-bewegingen, maar vaders noch moeders voor hun wereld kan maken. Van de vijf menschen allen boven de veertig die dit huis bewonen, is er één weduwe van een ten doode toe opgejaagd goedaardig en gevoelig mensch. De zachtaardigsten onder hen, behalve Fie de oudste, die in den wanhopigsten tyd van het gezin geboren, te arm bleef, zijn getrouwd, en hebben dozijnen kinderen vol versneden passie op den valschen vrede van de wereld losgelaten. De wilden, bij elk vriendelijk woord tot een honenden uitval gereed, slaan hun eerlijken hartstocht naar elkaar en in de lucht: een heftig tumult van zeventig jaar dat natrilt, en zij sterven als nonnen en monniken, door de duizenden vergeten, die de vonken van hun bezielende bezetenheid hebben opgevangen zonder een afzender te kennen.

Herman die aan de groote tafel zit te schrijven, en Klaartje de Jong, die met een grooten bril op de boosaardige oogen in haar vriendelijk gezicht de Joodsche krant zit te lezen alsof zij de laatste ritueele controle daarop heeft en bij de geringste verwaarloozing van de wet haar vreeselijke vonnissen zal uitsnerpen, zien beide op als Jankef de groote kamer aan de plaats met de kalverhokken binnenkomt. Louter eenvoud, kracht en ruimte is de kamer; zij bergt niets dan wat hun stevige, hoewel dan brandende kleinburgerlijke verlangens behoeven: behalve de groote tafel een stel stoelen met haar leu-ningchefs: donkerrood het hout, zwart de trijpen zittingen, en een kachel; langs de grijs behangen wanden twee groote portretten van Vader en Moeder, het Mizrach, (een afbeelding van den Tempel, naar voorschrift in den Oostelijken kamerhoek), een Joodsche Kalender en een krantenhanger. De vloer, zonder zeil, met een matje en een kleedje, schendt maar weinig den indruk van een soort intieme gelagkamer: men kan niet weg-

97
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.