een half muntje kan krijgen waar net op de kop af acht of tienmaal zooveel aan te verdienen is?”
„Geld? Ik heb geen geld, en ook geen tijd om je aan te hoo-ren!”
„Boe-oe-oe!”
Als hij weer buiten staat, brandt zijn kop een beetje. Wat aan de hand is mag God weten maar:
„daar is poepe aan de klinke van de deur gesmeerd vind je dat niet vies vind je dat niet vies....”
En dat wordt vandaag niet bij de Jidden maar bij de Gojjem leenen. Bij van Ginkel in de winkel komt het gerinkel. Maar toch even naar Herman en Ozer gaan, de weg gaat er nou eenmaal langs, al is het.... verpest, daar. Hoe is het godsmoge-lijk: de week was gister zoo goed begonnen; je zou zeggen het mazzel lag er zoo bovenop. Dat je aanbelt, en net toevallig staat de meid klaar om er een ander bij te roepen. En de goj je zegt: „Laat maar Anna! hier deze koopman wil ook wel ’s kijke, dat is ook wel goed. Ja, koopman, maar ik moet er een heele boel geld voor hebbe. Je mag eerst wel’s goed kijke of je ’t er voor geve kunt, maar ik moet het er voor hebbe.”
„Zoo mevrouw, en hoeveel is dat dan wel?”
„Ik moet er honderd gulde voor hebbe.”
„Honderd gulden, nou dat is een boel geld mevrouw.” (En dat zie ik al wel zoo, dat al was het tweehonderd, dan ging ik der nog niet zonder weg.)
„Ja maar ik moet ’t er voor hebbe hoor. Je mag het aankijke zoo lang als je wil. Maar niet minder dan honderd gulde....” Een schat goed waar de rewoogem (winst) zóó dik bovenop ligt, dat het voor je oogen staat te verschieten van de jytzer om der achterheen te zitten, al is het evenwels tóch een pertaal stukje van zoo’n schatrijke goj je om een arme koopman zoo’n stuk geld voor haar ouwe afleggers te vragen. Dat was goed. Dat .kon niet beter twee dagen voor Bosj Has-joone. Maar het is waar dat het vandaag thuis een vuile smerige stinkende pestboel van een ruziebende was, en dat is een leelijk teeken. Hun pooten niet thuis houden, dat kan er niet mee door.
„Eventjes binnen wezen,” zegt hij tot Rachel die aan het hekje staat, „de jonges binnen?”
96