derdingen wisselend kleurbewegen.
Ik wil hier lieven blijven, haten, juichen, weenen, vloeken en zeeg’nen wil ik, eiken nieuwen dag, dat ’t wonderding ontroerend zal m’ omschijnen.
Ja, ik ben nu rustig-blij, ik heb het nu gevonden.
Ik voel een kalm geluk, dat maakt mij warm-tevreden, de kamerdingen staan in fijnen glans.
Stil mijmren bloemen voor me, als teer gepeins van vrouwen, fluweelviolen diep-donkre neuriezang, en blonde kopjes drie van Liefjes’ rozen . . .
En Jontef kweelt z’n orgelzang vooruit, ’t omstuwt me golvend-zacht met joediend moduleeren . . .
De dag is ruim en goed, ik wil het juichend zeggen, hoor lieven, toe: ik heb het nu gevonden, dit éene weet ik; simpel is ’t; maar groot:
Hoe ’t was, hoe 't is, en hoe het eeuwig zijn zal:
Het is Al: Schoonheid . . .
Amsterdam, September 1905.