Ruim en wijd en blij is de dag, zachtvroomblij om de rustigmooie kamerdingen, die leven in hun eigen glanzingen achter de neergelaten gordijnen.
Fijner en weelderiger is 't zongespeel zoo, saambuit’lend om de kieren, vier bundeltjes hooglichte joel, als weggehouden kinderrumoer, dat z’n schaterend stemmenspel goud-lachend plaagt in de kamer.
Van avond zal ’t Jontef1) zijn.
De wijding komt van diep-beneê den klaard’ren dag als zachtrood lichtgestraal gezongen rond mijn hoofd.
Nu wil ik stil gaan zitten, kleinbooze levensgrauwing pijnt nu niet, en zoeken hoe het zijn zal.
Mijn woorden zal ik beeftastend, schuchter vatten, om z’alle aaneen tot rijen blank en dicht te nijpen.
Wank’lend, als kreupel-zwakke kinderen zullen zij gaan,
‘) Israël, feestdag.