lijmerigsleependen woordengang van trage denkster: „óch ze gaat alle dage ’n beetje achteruit, ’n ouwd mensch . .
„Ja," zei-ie, moe, z’n, als wel bij idioten, bijna aaneen-gegroeide wenkbrauwen optrekkend in verzèkeren; „daar is geen kruid voor gewasse,” en in den drang, haar van zich-zelve te spreken niet verder daarop ingaand, ook, als zoo dikwijls, niet merkend, dat zij niet met vragen begon, schoof-ie dichterbij haar en stiet haar vertrouwelijkdringend tegen de dij: „Zeg, Essie, wat meen je, „wat die hourek 1) me daar gezegd het, die van ’t touw, je weet wel . ...”
Zij zag bijna nooit op onder ’t spreken, bleef altijd strak vóór zich zien achter de blauwe brilleglazen, of even naar benêe, ’t bezighoudende werk: „Welleke meen je nou?” vroeg ze, doorbreiend, „waar was je dan nou weer . . .
Hij stiet haar nog eens aan, pogend door den duw haar in herinnering te brengen, en dacht er aan, hoe onverschillig ze soms kon zijn, naar was dat, dan stond-ie heelemaal alleen, als ze zoo vergeetachtig was, net iemand die godbewaart niet goed bij z’n verstand is: „Bij de leverancier van ’t touw, bij Teunis,” zei-ie in een zang van uitleggen: „je weet toch wel, da’k vrage wou, om uitstel?”
„En het-ie niet gewild?”
„Hij zal krijge wat ’k ’m wensch,” zei David, z’n hoofd onder z’n vuist op tafel steunend: „daar is niks meer an te doen,” zeit-ie, „as ’t er niet is precies op z’n tijd, dan ga ’k failliet . . .
Haar ronde gezicht, blank en gelijklijnig, gaafgelig verouwelijkend langzaam naar oudevrijstersknies — bleef koel, beweegloos als van gelatenheid onder ’t naar achterge-
1
') Letterl.: Moordenaar.