Verwording en ondergang

Titel
Verwording en ondergang

Jaar
1941

Overig
Auteurs: dr. Johannes de Groot en dr. Arie Noordtzij

Pagina's
62



naar de verordeningen van zijn vader David” (1 Kon. 3:3), die — met hoeveel zwakheid en gebrek dan ook — het handhaven van de zuiverheid van den dienst des Heeren en het bewaren van Israëls eigensoortig karakter als volk des Heeren als hoogste levenstaak van Israëls koning had beschouwd. Ten einde de Kanaa-nieten op hun gemak te kunnen zetten binnen den kring van Israël, heeft Salomo het noodig geacht om de voor allerlei Kanaanietische inkruipsels zoo toegankelijke „dienst der hoogten” aan de hand te houden, ofschoon de tempelbouw daaraan een einde had moeten maken, en zelf zijn volk voor te gaan in het offeren aldaar, ofschoon hij bij de inwijding van den tempel aan geen ander altaar had gedacht dan aan het altaar op den berg Sion, ter plaatse waar des Heeren heerlijkheid op zoo bijzondere wijze openbaar was geworden (1 Kon. 8 : 10 v.). Zelfs heeft Salomo, mede om staatkundige redenen, zich door zijn buitenlandsche vrouwen ertoe laten verleiden om in „het land des Heeren”, waarin dus voor „andere góden” uiteraard geen plaats was, een plaats in te ruimen aan den dienst van de góden der omwonende volken. Sindsdien zien van den Olijfberg de hoogten van Kamos en Milkom naast die van Astarte neer op den tempel des Heeren op den Sion, alsof zij, en niet de Heere, de rechtmatige eigenaars van Kanaan waren. Daardoor heeft hij opnieuw het door zijn vader David zoo streng geweerde gif van het syncretisme in het midden van zijn volk den vrijen loop gelaten en opnieuw voet gegeven aan de gedachte als zou de Heere in den grond der zaak niet anders zijn dan een der baals van Kanaan en als zou het Israël mogelijk zijn naast den Heere ook „andere góden” te dienen. Zoo heeft hij juist het beste gedeelte van zijn volk, dat met Samuel schouder aan schouder gestreden had voor de geestelijke en nationale verheffing van Israël en waaraan in den middellijken weg zijn vader David, die juist uit dezen kring was voortgekomen, zijn koningsmacht te danken had, van zich vervreemd. En bovenal, zoo heeft hij des Heeren gramschap over land en volk gaande gemaakt en Israël den weg van den ondergang opgevoerd. Terwijl Salomo meende te bouwen, heeft hij niet anders gedaan dan afbreken. Terwijl hij meende te stutten, heeft hij niet anders gedaan dan ondergraven. Terwijl hij meende wijs te zijn, was hij dwaas.

„De koning is dood!”

Na Davids verscheiden is hierop zonder meer de kreet gevolgd: „Leve de koning!” Toen stond zonder verwijl een eenstemmig volk rondom den jongen koning en was er voor hen, die een ander van Davids zonen als zijn opvolger hadden gewenscht, geen andere weg dan „elk zijns weegs” te gaan in de hoop, dat Salomo genade voor recht zou laten gelden.

Hoe gansch anders gaat het na Salomo’s dood! Nu is er geen eenstemmig volk. Ja, Juda heeft natuurlijk zonder meer Rehabeam als koning erkend. Daar is onmiddellijk de jubelkreet „Leve de koning!” aangeheven. Daarvoor is het dan ook de koningsstam en heeft het aan Davids huis buitengewoon groote verplichtingen. Juda en het daarin bijna volkomen opgesmolten Simeon hebben niet de minste reden om zich aan Davids huis te onttrekken en Rehabeams erfopvolging te betwisten. Maar zoo staat het met de andere tien stammen niet. Die hebben min of meer wrange herinneringen aan Davids huis en in ieder geval — want lest heugt best! — aan den gestorven koning. Zwaar, zeer zwaar heeft Salomo’s juk op hen gerust. Veel, zeer veel zijn de oude rechten, die zij zich het een na het ander hebben zien ontnemen. Ze zijn dan ook niet zonder meer geneigd Rehabeam met de kreet „Leve de koning!” te begroeten. Zeker, aan het kiezen van een anderen koning denken zij, ten minste denken allen nog niet. Maar voordat ze wederom een lid van Davids huis als koning willen erkennen, voordat ze Rehabeam met den koningsjubel gaan begroeten, moeten ze eerst zich nog eens bedenken. Dat het niet gebeuren zal, dat zeggen ze nog niet; maar of het inderdaad gebeuren zal, dat weten zij nog niet. Dat hangt van Rehabeam af. Die moet nu eerst maar eens naar hen toekomen en met hen komen praten. En als dan na het einde der onderhandelingen blijken mocht, dat Rehabeam inderdaad bereid is meer dan halverwege aan hun eischen tegemoet te komen, ja dan, dan zijn ze bereid hem ook als hun koning te erkennen. Tot op d a t oogenblik hebben ze geen koning.

In feite hebben de tien stammen zich reeds aan Davids huis onttrokken en hebben ze hun vrijheid van beweging hernomen. In feite is reeds Davids rijk in twee stukken uiteengevallen: eenerzijds Juda en Simeon, die Davids huis trouw zijn gebleven, en anderzijds de tien stammen die wel bereid zijn om, i n d i e n ze met Rehabeam tot overeenstemming kunnen komen, hem ook als hun koning te erkennen,

5

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.