93
uit die gevangenschap teruggekeerd. (Zie over deze zaak: dossier Evacuatie van de Nederlandse Inlichtingendienst te Lissabon).
(7) Wat is gedaan om Engelandvaarders en vluchtelingen bij aankomst in Zwitserland voor arrestatie te behoeden, hun bevrijding uit de gevangenissen en interneringskampen te bevorderen en hun verblijf aldaar dragelijk te maken? Onder hen, die hieromtrent gehoord kunnen worden, bevinden zich de Engelandvaarders L. Bakker, werkzaam bij de P.O.D. te Parijs en L. Boas (Sarphatistr. 87, Amsterdam). Men raadplege voorts de rapporten van Mr. Michielsen c.s., Spook,. Crince le Roy en Steven White.
(8) Over de houding van de gezant te Bern, Mr. Bosch ridder van Rosenthal, ten aanzien van Joden, raadp’ege men zijn missive aan de minister van Buitenlandse Zaken inzake de klachten vermeld in het rapport van Mr. Michielsen c.a. De gezant verklaart hen zonder hulp te hebben weggezonden, omdat hij meende met Joden te doen te hebben. (Cf. de lettre d'envoi, waarbij Graaf van Bylandt, wnd. secretarisgeneraal, dit — blijkbaar voldoende geachte — antwoord ter kennis brengt van de zaakgelastigde te Lissabon).
(9) Bij aankomst in Spanje werd zo goed a’s ieder illegaal reizend Nederlander gearresteerd. De regeringscommissaris en andere Nederlandse autoriteiten hebben niets gedaan om dit te beletten, evenmin als zij zich actief hebben betoond bij het bevorderen van invrijheidstelling en doorreis. Waar bedoelde commissaris en autoriteiten hebben nagelaten hen te evacueren, zijn einde 1941 alle Nederlanders, die door de Spanjaarden waren vrijgelaten en sinds weken of maanden te Madrid op transport wachtten, opnieuw gearresteerd, ditmaal voorgoed. Zelfs in begin 1943, toen o.a. Polen en Fransen van militaire leeftijd en masse werden vrijgelaten en, voorzien van alle nodige visa, bij duizenden Spanje verlieten, vaak onder de hoede van het Rode Kruis, bleven de Nederlandse geïnterneerden in het kamp te Miranda de Ebro achter. Zelfs toen werden zij, die zich op vrije voeten te Madrid bevonden, niet weggeholpen, zodat tenslotte vanuit Lissabon con-vooien zijn gevormd om hen clandestien — en met alle risico’s daaraan verbonden — naar Portugal te evacueren, tot ongenoegen van sommige autoriteiten. (Hierop slaat o.a. het telegram van de minister van Buitenlandse Zaken aan de gezant te Madrid d.d. 2 Juni 1943, waarbij gelast wordt een einde te maken aan de ongewenste activiteit van Baronesse van Harinxma.) (Cf. de rapporten Visser en van Montfoort).
De ondersteuning, welke Nederlanders hebben genoten in de verschillende Spaanse gevangenissen, is onbetekenend geweest. In het kamp te Miranda stonden zij, wat betreft ondersteuning in de vorm van voedsel, pakketten, kleding, schoeisel, geneesmiddelen, enz. ten achter bij alle andere nationaliteiten, met uitzondering alleen van de heimatlozen en Grieken (winter 1942/1943). Baron van Harinxma thoe Slooten heeft het kamp te Miranda nimmer bezocht. In Portugal heerste destijds overvloed en niets was eenvoudiger geweest dan enige vrachtauto’s met levensmiddelen van Lissabon naar Miranda te sturen.
/