87
gefaald. Dit toch zou een geheel andere indruk hebben gegeven.
In de mededelingen van de heer Dentz kan ik slechts een wraakactie zien tegen het feit, dat ik mij genoodzaakt heb gezien zijn chef, de regeringscommissaris voor repatriëring, te verzoeken hem te ontslaan. Desondanks zal ik de door U gevraagde weerlegging der feiten geven, zij het ook, dat het mij niet mogelijk zal zijn op elk der blauw aangestreepte feiten een gedetailleerde weerlegging te geven. Het moet U duidelijk zijn dat detailpunten slechts zouden kunnen blijken uit in het archief van het Departement van Sociale Zaken aanwezige stukken, welke thans niet te mijner beschikking staan.
De heer Dentz had bij de regeringscommissaris voor repatriëring een ondergeschikte functie. Uiteraard werden daardoor zijn werkzaamheden door hem niet rechtstreeks met mij besproken, doch met de heer Ferwerda. Slechts een enkele maal geschiedde dit rechtstreeks en dan nog meestal in het bijzijn van de hser Ferwerda. Dat daarbij door de langdradigheid en onzakelijkheid van Dentz zoveel tijd verloren ging, dat ik het aantal dezer besprekingen tot het uiterste moest beperken, zal U door vele anderen zeker gaarne worden bevestigd: de heer Ferwerda, Mr. Marx, mej. H. de Wit en de door Dentz opgegeven „getuige”, de heer van den Bergh. Niet alleen zijn langdradigheid, doch ook het volkomen gebrek aan tact dat waar mogelijk door Dentz werd getoond, maakte het veelal noodzakelijk hem niet van die zaken op de hoogte te brengen, waar zijn ontactisch optreden veel kwaad zou kunnen doen. Van de aan zijn taak verbonden politieke consequenties en van ambtelijke verhoudingen heeft Dentz nimmer iets begrepen.
Ik vermeen, dat het niet nodig is in te gaan op de verklaringen van Dentz tegenover mij persoonlijk.
Wat de zaak zelve betreft — doch daarover kan ik slechts uit mijn herinnering diepen — de heer Dentz wilde overal naar toe: naar Parijs, Brussel, Eindhoven, Stockholm, Praag. In volkomen overeenstemming met mij heeft de heer Ferwerda dit steeds tegengehouden, wetende, dat hij door zijn ontactisch optreden veel kwaad zou doen enerzijds, terwijl hij — ook te Londen — een onmogelijk man was om met ander personeel om te gaan anderzijds (voor een deel werd dit veroorzaakt door zijn intense luiheid, voor een ander deel door zijn veel te grote mond.) Vandaar dan ook, dat aan de heer Woensdregt niet werd gevraagd (zoals Dentz wilde): „Wanneer kan Dentz komen?” Doch „Denkt gij Dentz te kunnen gebruiken?” Het antwoord van de heer Woensdregt op die vraag (dit wordt in het rapport van Dentz niet aangeroerd) heeft ontkennend geluid.
Dat ik ooit na één uur geen tijd meer gehad zou hebben voor wat dan ook, is een pertinente leugen. Een ieder der ministers, ieder mijner medewerkers, ieder van het repatriëringskantoor, zal U het tegendeel zeggen. Natuurlijk is het wel mogelijk, dat ik anderszins bezet was op 17 Maart ’45. U zult mij vergeven, dat ik dit niet meer met zekerheid weet te zeggen!
Dentz wilde op 10 Maart 1945 (datum uit zijn rapport overgenomen) een telegram zenden aan Woensdregt, met het verzoek hem in te lichten over de onderhandelingen van Bernadotte. Hoewel aan de