86
leerbare financiering waren verbonden, werd met de steun van de minister van Sociale Zaken, Dr. J. van den Tempel, als proef een speciaal crediet verkregen van het Departement van Financiën, dat inderdaad ter beschikking is gesteld van de Poolse autoriteiten. Nadat dit crediet ter beschikking was gesteld, werd ik benaderd door een mij bekende te Londen gevestigde ex-Nederlander. Deze ex-Neder-lander, die van Poolse zijde omtrent de gevoerde besprekingen was ingelicht, bood mij zijn diensten aan bij verdere financiering op een wijze, die bij mij twijfel deed rijzen of het verantwoord was op deze manier met steunverlening door te gaan. Door de loop der gebeurtenissen behoefde deze vraag niet te worden beantwoord.
Een tweede poging ter voorziening heeft plaats gevonden op initiatief van mijn Zweedse vertegenwoordiger, die een aanbod van het Zweedse Rode Kruis had gekregen om een aantal pakketten uit Zweden te leveren. Ook hier heeft Dr. van den Tempel zich krachtig ingezet om het benodigde crediet te verkrijgen, met dien verstande echter, dat de afwikkeling van deze aangelegenheid door het N.R.K. zou plaats vinden. De medewerking van de heer van Harinxma werd hiertoe geredelijk verkregen. Inderdaad zijn een aantal pakketten door het Zweedse Rode Kruis verzonden.
De heer Dentz heeft met ijver en toewijding aan zijn taak gewerkt. Hem ontbrak echter ten enenmale de takt, met collega’s of ondergeschikten in een grote organisatie samen te werken. Dit, gevoegd bij zijn sterk ontwikkeld inferioriteitsgevoel, heeft hem tot een teleurgesteld en verbitterd mens gemaakt.
Naar mijn mening is het hem, die bovendien niet op de hoogte kon zijn van alle ter zake geldende omstandigheden, niet euvel te duiden, dat hij zich een verward beeld heeft gevormd van de hulp, die op de hierboven geschetste wijze zou kunnen zijn gegeven. Mét andere werkzaamheden dan de hierboven genoemde, heeft de heer Dentz zich niet bezig gehouden.
Ten aanzien van de tweede vraag moge ik U verwijzen naar het door mij op 30 October 1945, uitgebrachte verslag ............
(w.g.) G. F. FERWERDA.
Bijlage 24.
Mr. M. de Groot
(voormalig hoofdambtenaar aan het Departement van Sociale Zaken
te Londen).
Paramaribo, 10 Juni 1946.
Mijne heren,
Blijkbaar wordt van mij verlangd, dat ik mij verdedig tegen aantijgingen van slechts een enkel persoon, de heer Dentz. Het moet mij van het hart, dat ik het eleganter van de commissie zou hebben gevonden, indien zij, alvorens dit schrijven tot mij te richten, een onderzoek zou hebben ingesteld naar mijn werkzaamheden op het departement te Londen en in den Haag in het algemeen, zonder uit de vele mij opgedragen er een uit te kiezen, waarin ik misschien zou hebben