85
staat, niet alles gedaan zou hebben wat in zijn vermogen lag. Bovendien treft mij het feit, dat de heer Dentz, die een oordeel uitspreekt, niet getracht heeft de minister-president te bereiken. Ik heb opzettelijk
5 jaren lang één adres gehad en wanneer een zaak grote moeite gaf, deed men meer dan eens een beroep op mij om op de een of andere manier een laatste poging te ondernemen. Is het wel verantwoord op de mededelingen van de heer Dentz volledig af te gaan? Ik vraag dit te meer, omdat ik nog een onderhoud heb gehad met de heer van Harinxma thoe Slooten, dat mij versterkte in de opvatting, dat in Londen is gedaan, wat mogelijk was.
(w.g.) P. S. GERBRANDY.
Bijlage 23.
G. F. Ferwerda
(voormalig regeringscommissaris voor de repatriëring te Londen).
Rotterdam, 26 Juni 1946.
Mijne Heren,
Ik veroorloof mij thans terug te komen op Uw schrijven van 8 Juni.
Voor zover ik dit uit Uw schrijven kan beoordelen, geldt Uw onderzoek voornamelijk 2 vraagpunten:
ie. De voorziening van Nederlandse politieke gevangenen met pakketten.
2e. De evacuering der kampen.
Ten aanzien van punt 1 moge het volgende dienen:
De voorziening van pakketten behoorde niet tot mijn competentie. De mogelijkheid van voorziening, voor zover dit mijn commissariaat betrof, werd bepaald door de mij verstrekte opdracht en door de gelden, die voor de uitvoering der opdracht beschikbaar werden gesteld. Zowel uit de opdracht als uit de nauwkeurig gebudgetteerd ter beschikking gestelde gelden blijkt, dat de bedoelde voorziening niet tot mijn taak behoorde.
Dat toch in bizondere gevallen enige hulp heeft plaats gevonden, vindt zijn oorzaak in bizondere omstandigheden.
Op grond van te Londen beschikbare gegevens werd de mening gevormd, dat als gevolg van de weigering der Duitse machthebbers noch het Internationale Rode Kruis noch het N.R.K. in staat waren de in Polen vertoevende joodse gedeporteerden hulp te brengen.
Door mij was reeds vroegtijdig een joodse afdeling gesticht, die in het bizonder tot taak had, om in samenwerking met joodse instanties te Genève en Tel Aviv gegevens te verzamelen omtrent gedeporteerde joodse Nederlanders, welke gegevens hoofdzakelijk gebaseerd waren op inlichtingen, die uit vrije gebieden werden verkregen. De leiding van deze afdeling berustte in de latere stadia van de voorbereiding te Londen bij de heer Dentz. In besprekingen met de Poolse Regering te Londen werd de mogelijkheid geopperd om door bemiddeling van de Poolse ondergrondse beweging dollar-biljetten naar Polen te verzenden, waarmede de Poolse ondergrondse beweging gedeporteerde Joden zou kunnen voorzien van in Polen te kopen levensmiddelen. Niettegenstaande de vele bezwaren, die aan een dergelijke volkomen oncontro-