I7i
gedeeld, dat mevrouw Wijsmuller, die reeds uit anderen hoofde toestemming had zich naar Frankrijk te begeven, op mijn verzoek zich reeds enkele malen belast had met het overbrengen van genees-, verbanden ontsmettingsmiddelen, waarom mij, in mijn kwaliteit van voorzitter van de afdeling Amsterdam van het Nederlandse Rode Kruis, door de kampcommandant gevraagd was. Het is dus onjuist, dat U dit eerst in Januari wist, en het is onjuist, dat door de afdeling Amsterdam opdrachten waren verstrekt voor reizen naar Frankrijk.
Bij die gelegenheid heeft Uw Hoofdbestuurslid Dr. Offerhaus tot mij gezegd, dat het mijn goed recht was hier te helpen, slechts werd verzocht, dit niet zonder medeweten van het Hoofdbestuur te doen. Ik heb dit toegezegd.
Het was U tevens bekend, dat mevrouw Wijsmuller op 2 Januari 1941 weder naar Frankrijk zou gaan, en wederom bereid gevonden was aan mijn verzoek te voldoen, zich te belasten met het overbrengen van genees- en verbandmiddelen, want dit is U in dezelfde vergadering medegedeeld.
Zulks geschiedde naar aanleiding van de vraag van Uw secretarisgeneraal of mevrouw Wijsmuller begin Januari wilde terugkomen, als de heer van Waveren uit Parijs bij U verwacht werd. Toen bleek, dat mevrouw Wijsmuller de heer van Waveren dan juist zou kruisen, is geantwoord, dat zij dan na haar terugkomst verwacht werd. Daarbij werd in uitzicht gesteld de mogelijkheid, dat mevrouw Wijsmuller van Uw Hoofdbestuur opdrachten zou krijgen.
Het is dan ook niet juist, dat aan het geven van dergelijke opdrachten zonder medeweten van het Hoofdbestuur aanstonds een einde is gemaakt. U waart op 24 December 1940 bekend met de opdracht en heeft daaraan niet aanstonds een einde gemaakt.
Eerst bij een bespreking met mij en mevrouw Wijsmuller op 18 Januari
1941 verlangde Uw secretaris-generaal, naast de toestemming van de Duitse autoriteiten die met de reizen van mevrouw Wijsmuller bekend waren, overlegging van de schriftelijke toestemming van „de Duitse Autoriteit”, waarbij hij niet kon aangeven, welke autoriteit dit dan moest zijn.
Na mij vergewist te hebben, bij wie ik zou moeten zijn, ben ik toen met mevrouw Wijsmuller persoonlijk bij de mij aangewezen bevoegde Duitse instantie te ’s-Gravenhage geweest, waarbij bleek, dat deze bezwaar had tegen het zenden van geneesmiddelen uit Nederland naar Zuid-Frankrijk. Enige dagen later heb ik van Uw secretaris-generaal de telefonische mededeling ontvangen, dat het crisis-uitvoerbureau geen uitvoervergunningen voor Zuid-Frankrijk meer mocht geven, zoals tot dusver geschied was. Deze mededeling was in zoverre voor mij overbodig, dat ik niet voornemens was te handelen tegen de mij duidelijk kenbaar gemaakte zienswijze van de bevoegde Duitse instantie.
In Februari j.1. is mevrouw Wijsmuller dan ook, zonder enige opdracht van de zijde van het Nederlandse Rode Kruis, naar Frankrijk vertrokken voor kindertransport. Nochtans is het geschrevene in de brief van 26 Maart j.l„ dat noch door de afdeling Amsterdam, noch door het Hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis aan