i6i
Mevrouw G. W ijsmuIler-Meyer.
Hulpverlening aan geïnterneerden te x 1
St. Cyprien en Gurs.
In Juli 1940 ben ik, in verband met mijn werk ten behoeve van het Kindercomité en het Comité voor Joodse Vluchtelingen, waarmede ik toen reeds twee jaar bezig was, er mee begonnen om joodse kinderen, wier familie zich in België of bezet Frankrijk bevond, daarheen over te brengen. Tevens werd in September 1940, bij wijze van proef, door mij één kind naar onbezet Frankrijk over gebracht.
Bij deze gelegenheid heb ik, op verzoek van Dr. W. F. Veldhuyzen, voorzitter van de afdeling Amsterdam van het N.R.K., de mogelijkheid onderzocht om kleding, medicamenten en levensmiddelen over te brengen aan geïnterneerden in het kamp te St. Cyprien, gelegen nabij Perpignan. Door bemiddeling van het Duitse Rode Kruis te Brussel gelukte het mij een toelatingsvergunning voor onbezet Frankrijk te verkrijgen.
Bij mijn aankomst te Perpignan trof ik aldaar een ambulance van het Nederlandse Rode Kruis, onder leiding van Dr. van Overeem. Aangezien deze mij niet naar het bewuste kamp wilde meenemen, stelde ik mij door bemiddeling van het Office Néerlandaise in verbinding met generaal Leclercq, commandant van het kamp, die mij in staat stelde dit te bezoeken. Aldus werd mij de gelegenheid geboden de aldaar geïnterneerde Nederlanders op allerlei wijzen hulp te verschaffen. Tevens verzocht de generaal mij, voor de toezending van typhusvaccins en andere medicamenten te willen zorg dragen, aangezien deze in onbezet Frankrijk vrijwel onverkrijgbaar waren. Hij gaf mij een desbetreffend schriftelijk verzoek mee, gericht aan Dr. Veldhuyzen.
Na deze brief bij mijn terugkeer in Nederland te hebben overhandigd, keerde ik medio October 1940 naar Zuid Frankrijk terug en leverde de gevraagde medicamenten en kleren aan generaal Leclercq af, waarvoor hij schriftelijk zijn dank betuigde. Eind October keerde ik naar Nederland terug met namenlijsten van ruim 5000 geïnterneerden.
Teneinde mij, in geval van eventuele moeilijkheden, behoorlijk te kunnen legitimeren, verstrekte het Hoofd van de afdeling Amsterdam van het N.R.K. mij een officieel aanbevelingsschrijven, hetwelk als legitimatiebewijs zou dienen.
Bijlage A. Ter vergemakkelijking van mijn doorreis door België, verstrekte het Belgische Rode Kruis mij eveneens een aanbevelingsschrijven.
Mijn derde reis, ditmaal naar Gurs, vond medio November 1940 plaats, bij welke gelegenheid ik circa 2500 kg medicamenten en kleren meenam en .aldaar afleverde. Op mijn terugweg bezocht ik, zoals gewoonlijk, Dr. Ir. van Sevenster, consul-generaal te Vichy, die mij meldde, van Jhr. van Lidth de Jeude, Hoofd van het London-Committee van het N.R.K., bericht te hebben ontvangen, dat ten aanzien van de betrouwbaarheid van de heer van Waveren, gedelegeerde van het N.R.K. te Parijs, een ruime mate van voorzichtigheid moest worden betracht, meer in het bizonder ten aanzien van het' beheer der gelden van het Koningin Wilhelmina-fonds. Dr. van Sevenster verzocht mij,
ïi