i6o
moge blijken, dat de commissie geenszins ongenegen is geweest om op ernstige bedenkingen van de zes leden van het voormalige Dagelijks Bestuur in te gaan.
Wat de actie! van mevrouw de Bussy betreft, welke inderdaad voor een groot deel georganiseerd was ten behoeve van de politieke gevangenen in het buitenland, moge verwezen worden naar de aanhaling uit haar verklaring op blz. 152,
De drie laatst aangevoerde argumenten — het plan om een ambulance naar Duitsland te zenden, het aan Londen toegezonden repatriëringsplan, het herstellingsoord te Aerdenhout — geven aanleiding tot de volgende opmerkingen:
De waarde van het eerste punt is zeer beperkt, daar het slechts als „plan” bekend is.
Het tweede punt was reeds aan de commissie bekend (zie blz. 40). Dit is één van de redenen, waarom zij zich in zeer zachte termen heeft uitgelaten over het voormalig Dagelijks Bestuur, wetende, welke vruchtbare arbeid — zij het dan ook niet voor de politieke gevangenen in het buitenland — door dit college onder zeer moeilijke omstandigheden werd verricht.
Het derde punt behoort tenslotte weer geheel tot het binnenlands beleid.
Tot zover de beantwoording van de in het protest naar voren gebrachte argumenten.
Zoals reeds gezegd is, heeft de commissie er niet toe kunnen besluiten om haar conclusies te wijzigen in een door het voormalige Dagelijks Bestuur gewenste vorm. Wel is het haar, door de nog steeds binnenkomende rapporten, nog veel duidelijker geworden, dat —- zoals reeds hiervoor werd opgemerkt — de kritiek op de daden van het voormalige Dagelijks Bestuur ten opzichte van de hulpverlening aan politieke gevangenen in het buitenland, in zeer gematigde termen tot uitdrukking is gebracht.
Het is wenselijk, ook deze mening van de commissie nader te documenteren. Er moet n.1. op gewezen worden, dat de kritiek van de commissie op de daden van het voormalige Dagelijks Bestuur van het N.R.K., voorgesteld wordt (blz. 142) als zijnde zeer begrijpelijk, omdat de aan den lijve ondervonden ellende een gevoel van verbittering zou hebben doen ontstaan tegen het Rode Kruis.
Deze vorm van verweer — de poging om alle kritiek zijn waarde te ontnemen, door de „verbittering” van de commissieleden als „begrijpelijk” voor te stellen — kan alleen ontzenuwd worden door publicatie van feiten. Eerst dan zal ieder kunnen oordelen, in hoeverre de commissie zich bij de formulering van haar conclusies heeft laten leiden door objectieve beoordeling of door subjectieve gevoelens van verbittering.
Dat op goede gronden —• de in het oorspronkelijk rapport niet vermelde feiten — een scherpere beoordeling van de daden van het voormalige Dagelijks Bestuur mogelijk zou zijn geweest, moge tenslotte blijken, boven hetgeen reeds vermeld is, uit het hierna volgende rapport met bewijsstukken van mevrouw Wijsmuller.