159
door geregelde toezending van voedselpakketten. Uit medelijden werd aan ons Hollanders door hen wel eens wat gegeven, doch dit kon natuurlijk niet vergoeden wat wij tenslotte hebben moeten missen.
Nog een ander gevolg was aanwezig. Door de eigenaardige toestand die in de kampen heerste, waarbij „Blockaltesten”, Capo’s en soms ook wel SS-mannen zich door voedsel lieten omkopen en de gevers gunstige posities aanboden, kregen de Hollanders de slechtste baantjes, stonden aan de zwaarste mishandelingen bloot, omdat zij niets aan te bieden hadden.
Door dit alles ging niet alleen de lichamelijke toestand van de Hollanders achteruit, doch hun moreel daalde in bedenkelijke mate. Dieverijen waren aan de orde van de dag en de Hollanders hadden een zeer slechte naam. Luiheid, die eigenlijk een gevolg was van de doodvermoeide toestand waarin wij Hollanders verkeerden, werd ons aangerekend als een eigenschap van de natie. De naam van de Hollanders heeft in de concentratiekampen een gevoelige klap gekregen.
Over de verhouding van het aantal sterfgevallen bij de verschillende nationaliteiten in de Duitse concentratiekampen heb ik geen zuiver oordeel, maar ik weet wel, dat het aantal bij ons Hollanders schrikbarend hoog was.
Wanneer ik aan het concentratiekamp terugdenk, dan zie ik voor mij twee groepen, die scherp tegen elkaar afsteken. De Denen en de Noren in prima conditie, goed gekleed, wel doorvoed (ondanks het slechte kampvoedsel) en daarnaast wij Hollanders, uitgemergeld en als bedelaars rondlopend. Ik kan dit slechts wijten aan het gemis van behoorlijke toeslag op ons kamprantsoen.”
Ter verdere verdediging van hun beleid vermelden de ondertekenaars van het protest nog een aantal bizonderheden over hun werkzaamheden, teneinde aan te tonen, dat zij nooit beheerst werden door formalisme. Genoemd worden: de uitzending van vier ambulances naar Frankrijk in het begin van de oorlog om zieke en gestrande Nederlanders naar het vaderland terug te voeren.
Hoe lofwaardig deze actie ook genoemd moet worden, uit het feit, dat men Nederlanders naar het vaderland terug ging brengen, blijkt, dat het hier weer niet in de eerste plaats betreft de hulp aan de Nederlanders in de kampen.
Vervolgens wordt gememoreerd het werk van mevrouw de Bussy, mevrouw van Beuningen en mevrouw van Overeem.
De acties van de laatste twee dames kunnen weer moeilijk als argument van verdediging in de verzorging van onze buitenlandse politieke gevangenen aangevoerd worden; zij behoren geheel tot de binnenlandse hulpverlening. Wel zij hier opgemerkt, dat het voormalige Dagelijks Bestuur zich hier weer op daden beroept, waarvan de eer in de eerste plaats aan de genoemde dames en haar helpsters toekomt. Terloops zij opgemerkt, dat de commissie de zinsnede: „terwijl het Hoofdbestuur de gehele last van dit contact op mevrouw van Overeem legde” vóór de publicatie van het rapport heeft laten vervallen, waaruit: