i5i
Het spijt de commissie te moeten constateren, dat de zes ondertekenaars van het protest hierdoor op het denkbeeld zijn gekomen, dat de commissie, behalve de brief van mevrouw Honselaer, niets dan loze beweringen kan overleggen. In de volgende bladzijden zal daarom het tegendeel aangetoond worden.
Vooropgesteld zij nogmaals — evenals in het rapport, bladz. 18 — dat de verzorging van de politieke gevangenen in het binnenland slechts reden tot lof geeft. Deze hulpverlening raakte echter niet de kern van het onderzoek der commissie. Zij heeft de formulering van haar eindconclusies — voor zover deze betrekking hebben op de daden van het voormalige Dagelijks Bestuur van het N.R.K. in Den Haag — dan ook hoofdzakelijk gebaseerd op de tekortkomingen in de verzorging van politieke gevangenen in het buitenland.
De zes ondertekenaars verdedigen zich echter in het protest vaak met feiten, die betrekking hebben op de binnenlandse hulpverlening. Hetgeen niet geheel juist is. En waarin zij, naar de mening der commissie, vaak voorbeelden van hulpverlening aanvoeren, waarvan de eer van het initiatief en de uitvoering aan anderen moet toekomen.
Als eerste verklaring a décharge wordt de hulp aan de gedetineerden in de Scheveningse strafgevangenis genoemd (zie bladz. 143).
Behalve, dat deze actie — en die voor andere plaatsen in Nederland — geheel tot de binnenlandse hulpverlening behoorde, moet de commissie hierbij opmerken, dat volgens het hiervoor gepubliceerde protest het initiatief hiertoe uitging van de voorzitter van de afdeling Den Haag van het N.R.K., terwijl op 12 November 1947 de heer van Lynden hierover mondeling verklaarde, dat het initiatief was uitgegaan van sommige gevangenisdirecties, die het Rode Kruis opgebeld hadden om te vragen, of deze instantie kon helpen met pakketten. In elk geval kwam het initiatief dus niet van het voormalige Dagelijks Bestuur van het N.R.K.
Het protest vermeldt verder het feit, dat aan Duitse concentratiekampen en gevangenissen pakketten zijn gestuurd met min of meer succes.
Dit wordt door de commissie niet ontkend. Wel is zij van mening, dat het aantal pakketten veel groter had kunnen zijn, als het toenmalige Dagelijks Bestuur van het N.R.K. meer moed, initiatief en fantasie had getoond, om deze verzendingen, als het moest, ook langs illegale wegen voort te zetten.
Wanneer nagegaan wordt, hoeveel pakketten dan wel verzonden zijn aan politieke gevangenen, dan vinden we hierover de volgende gegevens (reeds in het algemeen gememoreerd op bladz. 14 van het rapport):
De afdeling IV A van het informatiebureau (zie bijlage 9 van het rapport), welke speciaal zorg droeg voor de hulpverlening aan krijgsgevangen officieren, trachtte in de eerste oorlogsjaren „met min of meer succes” privé-pakketten door te zenden naar Duitse concentratiekampen en gevangenissen. Blijkbaar waren dit pakketten, die door particulieren ter verdere verzending aan het Rode Kruis werden aan-