146
werking van enkele leden van het Dagelijks Bestuur en zelfs het gehele Rode Kruis, dat nooit met de Duitsers wilde medewerken, was hun reeds lang een doorn in het oog en zo werden in Juli 1944 de 1ste ondervoorzitter Mr. W. }. Baron van Lynden, de Secretaris-Generaal, Dr. H. K. Offerhaus, Kol. Koot en de Secretaris F. Canté om een nietige reden voor het Kriegsgericht gedaagd na uiterst onaangename voorverhoren en veroordeeld tot geldboeten wegens „deutschfeindliche Kundgebung”. Op zichzelf zou dit niet zo heel erg geweest zijn, maar nu officieel door het Kriegsgericht was vastgesteld, dat genoemde heren „Duitsvijandig” waren, durfde Dr. Wimmer het aan op 31 Augustus 1944 hen allen te ontslaan; niettemin hebben zij hun werk ondergronds voortgezet.
Illegaliteit
Het komt ondergetekenden onbegrijpelijk voor, dat de Illegaliteit, die toch volkomen op de hoogte was van de ellendige toestanden in de concentratiekampen en gevangenissen in Duitsland en eveneens wist in welk een moeilijke toestand het Hoofdbestuur van het Nederlandsche Roode Kruis verkeerde, nooit een poging heeft gedaan om met het Dagelijks Bestuur in verbinding te treden, teneinde samen een oplossing te zoeken. Er waren toch genoeg illegalen in het Rode Kruis. Nog minder begrijpen zij het (bladz. 17 van het rapport), dat de illegaliteit nooit een goed georganiseerde poging heeft gedaan om haar ongelukkige vroegere vrienden te helpen.
Deze zelfde illegaliteit ziet er niet tegenop het Hoofdbestuur van het Nederlandsche Roode Kruis zware, door niets bewezen beschuldigingen naar het hoofd te gooien. Hoe diep tragisch het ook is ,dat door velerlei omstandigheden onze politieke gevangenen in Duitsland niet voldoende met voedselpakketten zijn voorzien, zo is de beschuldiging toch niet te aanvaarden, dat alleen daardoor duizenden Nederlanders het leven hebben verloren. Bezit de Commissie van onderzoek een statistiek waaruit blijkt, dat naar verhouding met de Noren, Denen en andere buitenlanders, die wel behoorlijk werden voorzien met pakketten, méér Nederlanders in de concentratiekampen zijn overleden? Heeft de Commissie van onderzoek statistieken waaruit blijkt, dat er werkelijk zoveel Nederlanders verhongerd zijn? In al de Duitse concentratiekampen en gevangenissen stierven de gevangenen, volgens ooggetuigen, meestal aan te hard werken, mishandelingen, psychische en lichamelijke ellende, aan door de buitengewoon slechte hygiënische toestanden opgedane infectieziekten, longontstekingen, tuberculose etc. waarvoor de vatbaarheid door de slechte voedingstoestand natuurlijk verhoogd werd; gezwegen zij hier pog van de tallozen die vermoord of vergast werden. Meent de Commissie werkelijk te goeder trouw, dat dit alles had voorkomen kunnen worden zelfs door het geregeld toezenden van duizenden pakketten? Zelfs al hadden de Duitsers het zenden van pakketten toegestaan, dan was het door de gaandeweg ellendige voedseltoestand in Nederland, waar wij ook zelf weten wat verhongeren is, toch nog onmogelijk geweest de plm. 28000 gevangen Nederlanders behoorlijk van voedingsmiddelen te voorzien, gezwegen nog van de transportmoeilijkheden, de spoorwegstaking, de diefstallen tijdens het vervoer etc. Zeker zouden deze pakketten,