143
zitter tijdig door de Commissie waren gehoord, dan zou het oordeel hoogstwaarschijnlijk anders zijn uitgevallen. Nu luidt de beschuldiging als volgt (bladz. 19):
„Er is dan ook volstrekt reden om aan te nemen, dat de gehele apparatuur van het Nederlandsche Roode Kruis, indien het minder door formalisme zou zijn beheerst en meer moed, initiatief en fantasie zou hebben getoond, meer bereikt zou hebben dan thans het gevai is geweest in het bijzonder voor de politieke gevangenen buiten Nederland. (Men heeft klaarblijkelijk geen risico durven nemen).” Tevergeefs hebben de ondertekenaars van dit protest in het hun ter inzage gegeven dossier gezocht naar enig rapport of mededeling, waarop dit zo hoogst bezwarende oordeel berust. Nergens worden beschuldigingen tegen het Hoofdbestuur van het Nederlandsche Roode Kruis geuit, integendeel, bijlage 9 en 11 spreken een geheel andere taal. Alleen in bijlage 12 van Mevrouw Honselaer, bestaande uit vier regels, staat een beschuldiging, n.1., dat zij van het Rode Kruis nimmer hulp kon krijgen bij haar verzendingen van pakketten naar politieke gevangenen in Duitsland. Voor zoverre de ondergetekenden kunnen nagaan heeft Mevrouw Honselaer zich nimmer mondeling of schriftelijk tot het voormalige Dagelijks Bestuur van het Nederlandsche Roode Kruis gewend om hulp; evenmin werden van Jhr. Graafland brieven ontvangen.
Formalisme
De Commissie beschuldigt het Nederlandsche Roode Kruis van formalisme, waaronder zij waarschijnlijk verstaat, dat het voormalige Hoofdbestuur zich uitsluitend gehouden heeft aan zijn taak, voorgeschreven in de Conventie van Genève, om alleen de zorg voor de krijgsgevangenen, gijzelaars en civiel geïnterneerden op zich te nemen en dat het zich onder pressie van de Duitsers het lot der politieke gevangenen weinig heeft aangetrokken. Het tegendeel is waar, de beschuldiging berust niet op feiten, zoals verder zal worden aangetoond.
Reeds van den beginne af aan is het lot der politieke gevangenen en hun verzorging een onderwerp van grote zorg geweest voor het Hoofdbestuur en vooral voor den voormaligen Secretaris-Generaal, Dr. H. K. Offerhaus, wiens enige zoon in April 1941 was gevangen genomen als lid van de O. D. (hij werd 3 Mei 1942 met 72 lotgenoten gefusilleerd) en uit wiens clandestiene brieven bleek, hoe ellendig het lot der politieke gevangenen was.
1940
In de tweede helft van 1940 trachtte de Afdeling ’s-Gravenhage van het Nederlandsche Rode Kruis op initiatief van zijn voorzitter, wijlen Dr. P. J. Ph. Dietz, bijgestaan door Mej. Mr. Hoeksema, toegang te verkrijgen tot de strafgevangenis te Scheveningen, daarbij gesteund door het Dagelijks Bestuur van het Nederlandsche Roode Kruis. Met Kerstmis 1940 kon aan alle politieke gevangenen een uitstekend Kerstpakket worden verstrekt, later volgden meer pakketten. Het Dagelijks Bestuur van het Nederlandsche Roode Kruis gaf een crediet voor de inrichting van een cantine, couranten werden binnengebracht en een bibliotheek