133
gelden inde. Later organiseerde de Nederlandse kolonie bovendien een comité voor inzameling.
Naar onze mening zult U misschien belangstelling hebben voor de onderstaande cijfers betreffende de hulp van het Deense Rode Kruis aan Nederland gedurende de oorlog. De hulp aan krijgsgevangenen is begonnen in de zomer van 1941 toen er 3 Nederlanders op de lijst stonden van „Oflag IV D., Königstein”; in de zomer 1942 was het aantal 9, herfst 1942 110 en zomer 1943 ongeveer 200.
Overtuigd zijnde, dat de Nederlandse krijgsgevangenen door de moeilijke voedseltoestand in Nederland reeds vanaf het begin een zwakke weerstand moesten hebben, wenste het Deense Rode Kruis de Nederlandse krijgsgevangenen op een meer doeltreffende wijze te helpen en zijn wij daarom met collectieve zendingen begonnen (in Juli 1943). Tussen Juli 1943 en April 1945 zijn 70 ton levensmiddelen verzonden naar Nederlandse krijgsgevangenen.
Aan de Nederlandse burgerbevolking heeft het Deense Rode Kruis tussen Mei 1944 en Februari 1945 verzonden: ongeveer 15 ton levensmiddelen en verscheidene zendingen insuline.
Wij hopen, dat deze gegevens U zullen voldoen. Aanvaardt, mijne Heren de verzekering van onze bizondere hoogachting.
(w.g.) KAI HAMMERICH,
voorzitter.
Bijlage 40.
W. A. H. C, Boellaard.
6 Juni 1945.
Na de bevrijding van het kamp Dachau door de Amerikanen op
29 April ’45 liet het contact met een Nederlandse regeringsvertegenwoordiger op zich wachten.
Nadat vrijwel alle landen zich door een missie hadden laten vertegenwoordigen en vanuit het vaderland hulp uitbleef, kwam door een gelukkig toeval het contact tot stand.
De aalmoezeniers van Helden en Schellekens, gereden door chauffeur v. d. Krabben, kwamen op 11 Mei 5945 in het kamp Dachau aan en waren bereid mij onmiddellijk naar Nederland te rijden teneinde aldaar de hulp voor te bereiden. Luitenant van Lanschot vertrok een dag na mij en heeft mij in alles zeer ondersteund.
Na aankomst in Nederland op 13 Mei 1945 sprak ik op 14 Mei 1945 voor de radio Herrijzend Nederland over de nood van de gevangenen in Dachau en had ’s avonds een bespreking met het repatriërings-comité Ferwerda te Oisterwijk, waaruit mij bleek, dat nog niets gebeurd was. Ik heb deze officiële instantie twee dagen tijd gegeven om orde op de zaken te stellen en gezegd, dat ik bij onbevredigend resultaat mijn eigen weg moest gaan, daar spoed gewenst was.
17 Mei 1945 bespreking met generaal-majoor Kruis en mevrouw van Overeem.
18 Mei 1945 terug naar Oisterwijk om resultaat te vernemen, alwaar niemand van het comité werd aangetroffen. (In een ander verslag