125
dat de pakketten inderdaad de gevangenen zouden bereiken; voorts waren deze van mening dat het de plicht van de Duitsers was de gevangenen te verzorgen en dat een hulpactie als bovenbedoeld indirect bij droeg de oorlog te verlengen. Evenwel werd — niet officieel — naar voren gebracht dat deze blokkademaatregelen niet zo streng gehandhaafd zouden worden. Het belangrijkste was omtrent deze aangelegenheid elke ruchtbaarheid te vermijden. Dientengevolge werd door de geallieerde autoriteiten nimmer iets gedaan, dat het doorzenden van pakketten kon belemmeren, aldus kon de verzending in steeds grotere omvang tot het einde van de oorlog doorgaan.
Ik heb de eer te zijn, Uw dw. dn. v/d Minister (w.g.) ERIK DONS, Secretaris.
Bijlage 38.
H. Beer (secretaris-generaal van het Zweedse R. Kr. te Stockholm). Vragen gesteld aan de heer H. Beer:
x. Welke pogingen zijn van Nederlandse zijde uit Londen ondernomen, om tot hulpverlening aan Nederlandse burgergevangenen te komen?
2. Was, naar de mening van de personen, die bevoegd zijn om over deze zaak in dat tijdvak te kunnen oordelen, een uitgebreide Nederlandse hulpactie vanuit Londen en/of vanuit Stockholm ten bate van de Nederlandse burgergevangenen en uitgevoerd via Stockholm, in die tijd mogelijk?
Zo ja; welke zijn, naar de mening van Zweedse zijde, de redenen, dat deze actie niet op een meer intensieve wijze werd uitgevoerd? Zo neen, wat'zijn daarvan de oorzaken geweest?
3. Waren de pakketten voor de Noorse burgergevangenen op naam gesteld en droegen zij het nummer van de gevangenen?
4. Wie financierde de pakketzendingen, bedoeld in punt 3?
5. Hoeveel pakketten zijn verzonden respectievelijk aan Noorse, Deense en Nederlandse burgergevangenen?
Antwoord van de heer H. Beer:
A la Direction générale de la Croix-Rouge néerlandaise.
's-Gravenhage.
Concerne : Colis alimentaires adressés aux prisonniers civils en Allemagne.
Messieurs,
En réponse à votre lettre du 29 Juillet 1947, sur le même sujet, le Comité Central de la Croix-Rouge suédoise a l’honneur de donner aux questions posées, les réponses suivantes:
1. Nous ignorons les mesures prises à Stockholm par la représentation néerlandaise à Londres, mais, en automne 1944, nous avons eu la visite de Mme Gravesen, appartenant alors à la Commission de rapatriement à la Légation des Pays-Bas, qui nous demanda dans quelle mesure nous pourrions aider la dite Légation, en adressant des