ii4
van werkelijke helden als Westerweel, Simons en Nijkerk buiten beschouwing, al mogen juist deze namen in een uiteindelijk volledig rapport over alle geboden en verzuimde hulp m.i. zeker niet ontbreken.
De taak van de Joodse Coördinatie-commissie te Genève behoeft na de reeds gedane mededelingen geen omschrijving meer. De commissie, opgericht op verzoek van schrijver dezes tijdens een bijeenkomst van een twintigtal vertegenwoordigers der vluchtelingen, omdat hem gebleken was, dat het hulpwerk te belangrijke perspectieven bood dan dat het mogelijk en verantwoord was dit langer door èen persoon zonder organisatie „achter zich” te laten doen. Een belangrijk uitgangspunt van de nieuwe commissie was een zeer uitvoerig gedetailleerd rapport, dat de heer S. I. Troostwijk over de situatie in Nederland gemaakt had. Namens de gezant werd prompt gereageerd met een verbod zich bezig te houden met ander dan cultureel werk in Zwitserland of de commissie groter te maken dan drie leden (aan het laatste hebben we ons zonder bezwaar gehouden).
De verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden der commissie droegen gedurende de gehele periode van haar bestaan, waarin hulpwerk mogelijk was, haar leden, de heren S. van Dantzig, Mr. S. Isaac,
S. I. Troostwijk en schrijver dezes. Het dagelijks werk werd gedaan door het enige te Genève wonende lid der commissie, schrijver dezes in ononderbroken meest aangename samenwerking met onze adviserende leden, Dr. A. Polak Daniëls en Mevrouw O. M. Polak Daniëls— Boon Hartsinck.
Van de belangloze medewerkers, in het bizonder bij het verzorgen van de ingewikkelde correspondentie en administratie en het maken van kaartsysteem en lijsten, verdienen vooral vermflding de dames D. Kalman n van Moppes, A. Nathans en W. Rosenberg Polak— van Lennep en de heren F. Sanders en N. van Tijn.
Geen pakje was er echter verzonden en geen andere hulp had er ooit kunnen worden verstrekt, indien wij ons niet voortdurend gesteund hadden geweten door Dr. W. A. Visser ’t Hooft, secretaris-generaal van de Wereldraad der Kerken te Genève. Indien de achting, welke men in internationale kringen in Zwitserland had voor de beroemde eens als specifiek Nederlands geldende tradities, tijdens deze oorlog niet veranderd is in een diepe verachting, die ten aanzien van de hulp aan Joden het felst getypeerd is door uitdrukkingen als: het beruchte antisemietische Polen doet nog meer dan het befaamde prosemietische Holland, dan is dat naast diepe onaantastbare eerbied, welke een ieder voor H. M. de Koningin koesterde, m.i. bijna uitsluitend te danken aan het respect, dat Ds. Visser ’t Hooft door zijn houding en activiteit en z’n negeren van de ontelbaar vele kleinzieligheden een ieder afdwong. Zijn bijdrage in het Nederlands verzet zal ongetwijfeld door anderen beschreven worden, ik heb hier te volstaan met het wijzen op het belang in het algemeen van de aanwezigheid van zo’n figuur in Zwitserland en op het feit, dat hij op geen moment van zijn druk bezette dagen op mijn telefoontje: „Dominee, kan ik even komen?” ooit neen gezegd heeft. En zo’n telefoontje gaf ik bijna iedere dag. Geen detail van ons hulpwerk vond hij onbelangrijk. En hoe vreemd het misschien ook klinke, wij hebben het toch ook een beetje als een