109
niet geschreven worden, zonder iets over het anti-semietisme, anders wordt er tussen de regels iets gelezen, wat er niet staat. Dat er nauwelijks of geen hulp geboden is mag m.i. niet op anti-semietisme geschoven worden. Het is practisch wel eens lastig, maar het heeft nu eenmaal een diepere zin, dat er voor de opvattingen van Hitler, voor die van Ds. Niemöller en voor die van de vorenbedoelde meneer, die bang was voor onaangename reacties en toch echt zelf joodse vrienden had, dat er voor al deze opvattingen maar één woord is: anti-semietisme.
Men kan het bewust of onbewust, sterk of zwak, meer of minder gevaarlijk noemen, maar het is en blijft anti-semietisme. En anti-semietisme was er, dit ene voorbeeld zegt de „kenner” al genoeg, maar wie zou het durven ontkennen, die het invulbiljetje heeft gezien
met: Ras........We hebben er een k voorgezet of „blanke” er achter.
Het papiertje is na een ietwat tragi-komische poging om het goed te praten ingetrokken en vergeven, maar het is er geweest, net zo goed als de plannen om een werkkamp voor Nederlandse jongens te splitsen in een joods en een niet-joods, omdat historisch bewezen is (lach niet, de zegger heeft gestudeerd) dat een christelijke minderheid altijd door joodse meerderheden vervolgd wordt. En ondanks dit en nog vele andere voorvallen acht ik het een prettige plicht te kunnen verklaren, dat wanneer ik nu even foutief, doch gemakshalve onder anti-semietisme versta de bedoeling het ons vanwege ons Jood-zijn als mensen moeilijk te maken, dat dan het gebrek aan initiatief, activiteit, begrip, medewerking enz. enz. daar niet uit voortkwam, uitzonderingen daargelaten. Integendeel, de angst om anti-semiet genoemd te worden, misschien een voordeel van de bovengenoemde gelijkstelling der verschillende graden, was kennelijk soms mede een beweegreden om te helpen. Twee negatieve bewijzen met een tragische achtergrond: de z.g. politieke gevangenen zijn niet beter bedacht dan de Joden en de aanklachten in dit rapport betreffen zeker niet alle de niet-joodse autoriteiten — alhoewel zij, daar zij alle sleutelposities in handen hadden, ook het meest verantwoordelijk zijn — maar die klachten betreffen allen van welke origine ook, die, laten we het op z’n allerzachtst zeggen: te slap waren.
En nu het hulpwerk, voor zover ik dit door de met mijn lidmaatschap van de toenmalige Joodse Coördinatie-commissie te Genève samenhangende werkzaamheden kan beoordelen. Het spreekt wel van zelf, dat bij een werk als het onze nagenoeg iedere dag incidentele gevallen te onderzoeken en te behandelen waren. Het zou veel te ver voeren < te trachten daarvan hier een overzicht te geven. Ik moge dus volstaan met de belangrijkste feiten van algemeen belang:
i. Kaartsysteem. De J.C.C. hield zich bezig met het verzamelen van gegevens, welke onmiddellijk of in de toekomst bij een hulpactie gebruikt zouden kunnen worden. Het voornaamste hulpmiddel hierbij was een kaartsysteem, dat tenslotte circa 50000 namen omvatte van Joden, die in Nederland gewoond hadden. De gegevens omtrent sommigen waren duidelijk, omtrent anderen zeer vaag. Dit kaartsysteem werd voornamelijk samengesteld uit: gegevens door Nederlanders in Zwitserland op formulieren medegedeeld, gegevens vanuit