den eed, en mededeelt, dat eene betuiging met bijvoeging „bij den hemel”, „bij de aarde” door de strafwet niet als een eed beschouwd wordt, verlaat hij voor een oogenblik zijn rol als juridisch codifica-tor. Hij is bevreesd, dat hier iemand eene verkeerde gevolgtrekking zou kunnen maken, en laat dus in dezelfde § 3 dadelijk volgen: „Ofschoon dergelijke eeden voor de wet geene eeden zijn, zoo is men toch verplicht, hem, die zoo zweert, met kracht op het zondige er van te wijzen en het volk te leeren, ook met deze eeden niet lichtzinnig om te gaan. Men zegge hun, dat het moreel wel de gelijk een eed is en handele ten opzichte der vervulling of niet vervulling met die eeden als met wettelijke eeden. En in hetzelfde hoofdstuk § 12; „Het is voor den mensch een gewichtig punt van zedelijkheid, in het geheel niet te zweren. Wie die ze de w e t overtreden heeft, en heeft gezworen, hij lijde zelfs smart en houde zijn eed.
Waarom nu hebben de verklaarders slechts het enkele juridisch advies uit § 3 gelicht, en al het andere weggelaten? Waarom gaven zij de Misjna vervalscht terug? Niet eens misverstand of verkeerd begrepen passages waren hier mogelijk; het stond in ’t Latijn goed te lezen. Waarom lazen zij dus niet, wat er stond? Waarom wilden zij niet zien, dat precies dezelfde gedachte van Matth. V, 34-36 ook in de Misjna te lezen is en nog duidelijker, beantwoordende aan den geest des Talmoeds, bij Maimonides wordt geleerd: „dat zulke eeden strafrechterlijk niet, maar zedelijk wel eeden zijn”? Waarom citeeren zij uit de voor hen liggende Latijnsche Misjna en Maimonides niet DIE plaatsen, waaruit klaar en helder blijkt, dat elke eed of gelofte, die een gebod of verbod der H. Schrift — dus ook het gebod zijne ouders te eeren — te niet wil doen, daardoor van zelf krachteloos en zonder waarde is?
Wat bedoel ik met al die vragen, en met zooveel andere, die mij in de pen zweven? Wil ik daarmede al die verklaarders voor de rechtbank der historie dagen wegens opzettelijke onrechtvaardigheid en laster met voorbedachten rade? Volstrekt niet. Enkelen brachten verkeerd begrepen en tendentieus verminkte citaten aan, geschikt gemaakt, de verdorvenheid des Talmoeds te bewijzen. En de meesten schreven diezelfde traditioneel geworden onjuiste plaatsen met
94