der, die men vangt — schermend een oogenblik met de hand in de lucht?
Welzeker niet. Verre zij het van mij, eene dergelijke losheid van wetenschappelijke convictie bij een geleerde te onderstellen. Prof. Oorts overtuiging in deze steunde op een — in den regel althans
— bruikbaar fundament, en wel — op autoriteits-geloof. Maar helaas! de uitkomst bewijst, dat het fundament a priori niet goed was, de ingenieur-autoriteit bleef op dit punt in gebreke, legde hier een zandgrond-fundament, en — men weet het — „struikelt de helper, valt de geholpene”.
Terwijl de verzen 33-37 niets behelzen dan de eenvoudige gedachte; „De wet straft enkel meineed, maar de zedeleer verbiedt elk lichtzinnig zweren, want het is een schennis van den eerbied voor God; het eerlijke woord zij genoeg"; terwijl die gedachte zooals wij aantoonden, juist zóó en herhaaldelijk in den Talmoed voorkomt
— v/orden door de verklaarders van het N. Testament uit deze verzen weder scherpgepunte wapenen tegen „de leer der Phariseën en Schriftgeleerden” gesmeed.
Zij redeneeren allen — de een iets harder, de ander iets zachter van uitdrukking — ongeveer aldus: De woorden in vers 33: „gij zult den Heere uwe eeden houden” zijn misschien wel als de toevoeging der schriftgeleerden op te vatten. Immers het Phariseesche stelsel der eeden en geloften ziet alleen een misdaad in het niet houden eener gelofte aan God gedaan, in het schenden van een eed, waarbij Gods NAAM is aangeroepen. Maar „overigens is meineed bij hen iets onschuldigs”. Men vergelijke slechts Matth. XV, 5 en XXIII, 16-22, Dan blijkt het, hoe de Phariseën „alleen uit voorliefde voor de hiërarchie” tegen het schenden van godsdienstige geloften en van bij God gezworen eeden optraden; maar de innige zedelijkheid en ware eerlijkheid, die elke geschonden belofte, elk onwaar woord verafschuwt, kenden zij niet. Hunne subtiele wets-ontduikende casuïstiek”, „die den eenen eed wel, den anderen eed niet bindend beschotnvd’, „die de eene gelofte heilig, de andere zonder waarde oordeelt”, „die leerde, dat men den schijn kon aannemen van een eed te doen, zonder wezenlijk er een gedaan te hebben”, „kon wel strekken om onnoozelen te bedriegen, die meen-
90