Uit de geschriften van opperrabbijn Tobias Tal

Titel
Uit de geschriften van opperrabbijn Tobias Tal

Jaar
1954

Overig
Redactie: opperrabijn Justus Tal

Pagina's
142



R. Abba verhaalt, dat hij er eens bij tegenwoordig was, toen Rab Hoenna eene vrouw, door wie hij den naam Gods zonder noodzaak hoorde aanroepen, in den ban deed. Benige oogenblikken later hief hij den ban weder op. [Het was slechts eene scherpe en krachtige wijze van afkeuring.}

Nedarim 8a: In één geval — zoo deelde R. Gidal ook als een gezegde van Rab mede — is het geoorloofd, zijné verzekering met een eed te staven: wanneer men namelijk zich iets goeds voorneemt, want de Psalmist zegt (CXIX, 106): „Ik zweer het, en zal het ook vervullen, Uwe gerechte voorschriften in acht te nemen”. Waartoe, zoo luidt de vraag, is hier een eed noodig? Ligt de beëedigde verplichting tot het goede niet reeds op ons, van den dag, toen wij om den Sinaj stonden? — Wel zeker. Maar de eed bij een goed voornemen is ons hier geoorloofd, wanneer wij daardoor die goede gedachte van meer bindende kracht voor ons zelf willen doen zijn.

Nedarim 8b: Er staat geschreven (Malachi III, 20): „Over u, die Mijnen naam vreezen, zal de zonne des heils opgaan”. Dit wijst op hen, die het streng vermijden, Gods naam aan te roepen bij hunne verzekeringen.

Nedarim 9a: „Geloften der goddeloozen”. Zoo noemt men die geloften, die men beschouwd wil hebben als een eed, omdat de goddeloozen gewoon zijn, bij hunne verzekering steeds een eed te voegen. Bij de „geloften” der rechtvaardigen wordt aan geen eed gedacht, omdat deze de kracht hunner geloften niet in den uiter-lijken vorm zoeken.

Gittin 55a: Eens — in een tijd van hongersnood — gaf iemand aan een weduwe een gouden Denar in bewaring. Zij bewaarde dit goudstuk in den meelbuidel. De Denar kwam daardoor onder het meel, en eindelijk in een brood, dat door de weduwe aan een arme werd weggegeven. Na eenigen tijd kwam de eigenaar van het goudstuk en vroeg het op. Het werd natuurlijk niet gevonden. Toen riep de weduwe uit:,, Moge het vergif des doods een mijner kinderen treffen, wanneer ik iets van uw goudstuk genoten heb.” Weinige dagen later stierf een harer kinderen. — Toen de schriftgeleerden dit geval vernamen, zeiden zij: ,jZiet! zoo zwaar wordt

88

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.