Uit de geschriften van opperrabbijn Tobias Tal

Titel
Uit de geschriften van opperrabbijn Tobias Tal

Jaar
1954

Overig
Redactie: opperrabijn Justus Tal

Pagina's
142



Ik zal dan ook straks bij dit punt nog moeten stilstaan. Ik zal aan-toonen, dat „uw woord zij ja ja, neen neen” letterlijk in den Talmoed voorkomt, dat de onwrikbare eerlijkheid, die in den Talmoed wordt geleerd, elke reservatio mentalis een bedrog noemt; dat Prof. Oort niets deed dan nazeggen, wat hij in oude verklaringen van het N. Testament had zien staan, zonder dat hij in staat was, ook maar één woord van hetgeen hij zeide, aan de waarheid te toetsen. Ik zal aantoonen — ik moet het harde woord nog eens bezigen — des hee-ren Oorts diepe onwetendheid en weergaloozen eigenwaan.

Laat mij echter vooraf vers 33-37 in hun eenvoudige beteekenis lezen, en de Talmoedplaatsen aanhalen, waarin hetzelfde staat.

De gezonde natuurlijke zin dezer verzen is m. i. eenvoudig deze: De wet straft meineed. Zoo men echter zijne eeden houdt en „aan den Eeuwige vervult”, dan is het goed. Zoo zegt de wet (Exodus XX, 7, Leviticus V, 4-5, XIX, 12; Numeri XXX, 3). Maar de zede-leer gebiedt: Zweer in het geheel niet; misbruik Gods naam niet, door bij al wat gij zegt, bij elke bevestiging, die gij uitspreekt, bij elke belofte, die gij geeft, den naam des Eeuwigen aan te roepen [iets, dat toen uit de Romeinsche en Joodsch-Hellenistische kringen ook in de specifiek Joodsche kringen en onder het volk doordrong], En of gij al den naam Gods zelf niet noemt, maar „bij den hemel”, „bij de aarde”, bij uw hoofd of iets dergelijks zweert, het is hetzelfde als een eed met Gods naam. Uwe eenvoudige verzekering zij genoeg. Uw ja zij een oprecht ja, uw neen een oprecht neen, zij mogen geen eed behoeven, om waar te zijn.

Deze zedeleer volgt eigenlijk reeds uit den Bijbel, waar herhaaldelijk een valsche verklaring even misdadig geacht wordt als een valsche eed. Zie bijv. Leviticus V, 21-22; XIX, 11-12; Numeri XXX, 3; Deuteron. XXIII, 22-24. In den Talmoed — en vooral, heer Oort, in het tractaat Nedarim — vinden wij deze leer duidelijk terug:

Nedarim Ih: R. Chanina deelde de volgende sententie van Rab mede: Wanneer een schriftgeleerde hoort, hce iemand zonder noodzaak Gods naam aanroept, hij legge hem in den ban; hoort hij het stilzwijgend aan, dan verdient hij zelf in den ban gelegd te worden.

87

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.