zend gulden noodig hebben, om weer te worden wie hij was geweest. Dit was een enorme som; die te verwerven was eene onmogelijkheid ...
Maar ook daarbuiten was er een smartkreet onder Israël opgegaan. Maria Theresia, koningin van Hongarije en Boheme, had op 18 December 1744 een verbannings-edict van alle Joden uit Praag alsook uit gansch Boheme en Moravië uitgevaardigd. Na Januari 1745 zou geen enkele Jood meer in Boheme en Moravië mogen verwijlen. De Israëlieten in Engeland, Polen en Turkije, maar vooral in het toen zoo machtige Holland, werden om hulp aangeroepen. De drie Joodsche gemeenten te Amsterdam, Rotterdam en den Haag zonden een adres aan de Staten-Generaal, waarin zij om steun smeekten voor hunne broederen. De Staten-Generaal gaven een uitvoerige opdracht aan den Baron van Burmania, Nederlandsch gezant te Weenen, om voor de bedreigde Joden een redder te zijn. Ook Engeland gelastte zijn Oostenrijkschen gevolmachtigde, om in vereeniging met den Nederlandschen gezant voor dit doel op te treden. Helaas! het gevolg was alleen — uitstel der verbanning, tot einde Maart voor zoover het Praag betrof en oogluikende toelating tot einde Juli in Boheme.... Op 31 Maart werden achttienduizend Israëlieten uit Praag gezet.... Er heerschte onder het gansche Euro-peesche Israël angst en droefenis. Op 7 Mei 1745 werd een laatste krachtige poging beproefd, Nieuwe adressen aan de Staten-Generaal, die weder nieuwe hulpopdrachten aan hun gezant toezonden, krachtig ondersteund door Polen, Denemarken en Zweden...
Geëerde hoorders! Ik zie daar nog, op dien avond van den 15 Ijar 5505—17 Mei 1745, mijn heer en bezitter Jonas Rothenburg aan de tafel zitten. Het was nog het oude ruime fraaie huis zijns vaders, het was nog het ruime deftige vertrek, het waren nog de oude kostbare meubelen, die hem omringden, het was nog een statige, angstvallig reine zwarte kleeding, die hem omhulde. Maar hij en zijne zeventienjarige dochter en veertienjarige zoon aten in die fraaie zaal — droog brood! zij dronken er water bij, — dat was hun avondeten. De levendige knaap, mijn gebruiker, verhaalde aan tafel, dat zijn leeraar hem heden had verteld, dat nog geen hoop op redding was voor de Joden in Boheme en Moravië, dat men al be-
72