Derde en laatste zan$
NATHAN STREEFT NAAR HOOGER
Wie ’s levensboeken weet te dragen,
En van zijn ambt en taak niet wijkt,
Wie daarbij tracht zijn geest te oef’nen,
Zijn kunde en wetenschap verrijkt,
Hij handelt wijs en doet zijn plicht. —
Zoo deed ook d’ held van ons gedicht.
Reeds tweemaal hadden d’ jaargetijden Hun eeuw’gen kringloop weer voltooid, Nog torscht held Nathan trouw de zwaarte Van ’t Sjammes-vak. Toch klaagt hij nooit. De last zij groot, de vreugd zij klein,
Hij draagt het als een stoïcijn.
Ook zijner kennis schat wordt grooter,
Niet uit genie of vlijt, zoo noest.
Neen! „Meester” was op reis of ziek vaak, Zoodat hij plaatsvervangen moest.
Hij „oort”. Hij „leest”. Hem is — wat nood! Geen stuk te zwaar, geen fout te groot.
Hij zingt, hij spreekt, bootst „meester” na.
Hij grijpt zijn baard, al zelfbewuster.
En naar de spreuk: al doende leert men, Wordt hij steeds waard’ger en geruster.
Hij „daarsjt”, hij „gazzent” fier en stout,
Al was ’t ook al één groote fout.
132