Vaak was voorbij reeds Schmo’ne Esre Ja, soms zelfs reeds W’jitten L’cho,
En nog zocht Nathan, stom vertwijf’lend...
Reeds schreeuwt men: „Sjammes! HawdoloV’ Op ’t laatst, dan riepen jonge monden;
„Daar hebben we de kaars gevonden!”
En als dan d’arme Kaarsemdfcer Heel snel de kaars ontsteken wou,
Dan was zij — o, die goddeloozen! —
Zoo nat, dat zij niet branden wou.
De parnes kijft, Khaal lacht, Khaal kucht,
De kaars, die knappert, Nathan — zucht.
Wie weet, of d’held van deze zangen — Een held, in heim’lijk dulden groot — Op Tischo b’aw, Jeruz’lems treurdag,
Niet stille tranen soms vergoot!
Doch waarheid is ’t, die tranen alle,
Zij golden niet Jeruz’lems valle.
Zij golden zijne arme schoenen,
Met spijkers aan den vloer verbonden;
Of ’t deksel zijns eerwaard’gen hoofds,
Dat soms vol water werd bevonden.
In ’t oogenblik juist van ’t gevaar,
Te laat ach! werd hij ’t dan gewaar.
Zij golden ook twee wollen kousen,
Door d’goddelooze onverlaten,
Toen kalm hij sliep, aaneengenaaid,
Terwijl zij aan zijn voeten zaten.
Hij staat, hij wankelt, hij ploft neer En smeekt: „Verleen geduld, o Heer!”
131