Dan klonk gelach, gespot, geschimp,
Des parnes’ oogen werden dolken,
En uit de bank des kerkbestuurs Verzamelden zich donderwolken...
In ’t eerst verwierp hij alle schuld;
Doch later droeg hij ’t met geduld.
Als een gelukk’ge jonge moeder Verblijd ter Synagoge ging;
Als tot een zoon in weemoed naderd’
De „jaartijd-dag”-herinnering;
Of had een bloedverwant gedragen Een treurenstijd van dertig dagen;
Of als een lid een jeugd’gen zoon
In het verbond van Abraham bracht... Kortom, als Nathan bij die zaken
Niet juist op tijd aan ’t oproep’n dacht — Een storm brak los, de furiën vlogen, En hij stond daar, het hoofd gebogen.
Er is een and’re oude spreuk,
Ook filosofisch doorgedrongen,
Die van de jongen d’ uitspraak doet:
„Zij piepen, zoo de ouden zongen”.
O! Nathan ondervond die waarheid In allerjammerlijkste naarheid.
Wie telt de vreeslijke minuten Na ’t ondergaan der Sabbathzon,
Als Nathan, in benauwheid, zoekend,
D’ Hawdolo-kz&ts niet vinden kon... Zegt! jeugd’ge zielen zonder zorgen!
Waar ligt d’ Hawdolo-kaars verborgen? ...
130