Maar ach! dat d’ hoofden der gemeente Hem onverzoend vijandig bleven!
Zij konden hem het vreemde feitVan zijn benoeming niet vergeven.
En zwaarder bleven hem nog haten De vijf mislukte kandidaten.
Des parnes’ oom, des scriba’s neef,
Des penningmeesters buurmans zwager —
’t Bestuur, dit lieten z’ ongemoeid,
Want waar geen rechter, is geen klager ... Op Nathans hoofd — zoo was ’t besloten — Werd d’eeuwige wrake uitgegoten.
Geen dichterstift vermag den angst Des armen bode af te malen,
Als afriep — hij, ’n heraut gelijk,
Hoe laat de nacht zou nederdalen,
Of ’t uur van aanvang der gebeden,
Op hoog bevel der overheden.
Of, erger nog, als van ’t bestuur Een diep doordacht en wijs besluit Hij der gemeente voor moest lezen —
Dan brak het zweet zijn poriën uit...
Wee! Wee! Zoo hij zich bij ’t verkond’gen Slechts aan één letter mocht bezond’gen.
Doch driewerf wee bij ’t Afózwer-veilen!
Precies teg’lijk klonk dan een bod Van links en rechts, van voor en achter...
Dan steeg, vertwijfeld, tot zijn God Een bede, om met kracht te dragen De aan zijn ambt verbonden plagen.
129