Bij ’t derde breekt het zweet hun uit.
Daar staat alweder „Kaarsemakerl"
Men leest het vierde en het vijfde.
De parnes, bleek, spreekt — als een waker, Die Sjeimes zegt —; „Het helpt geen zier, Die Nathan is nu Sjammes hier.”
Wel keef men lang. Want Nathan was Bij alle vijf om d’gunst gekomen,
En elk wou even slim toen zijn...
De leden hadden een „nekome”.
— Maar Nathan bleef gemeentebode Van Khille Koudesj Boxterode.
Tweede zang
WEDERWAARDIGHEDEN.
Het is een filozoof’sche waarheid, Gesproken door een wijzen man:
„Dat ieder, die een hond wil slaan.
Een stok daartoe steeds vinden kan.” Die waarheid ach! ervoer al vaker De Sjammes Nathan Kaarsemaker.
Wel waren ’r leden der gemeente,
Wien Nathan opperbest beviel.
Hier kwam hij praten, daar eens helpen, Deed beiden graag, met hart en ziel... Het bracht hem menige „Mattono”
Op Poerim en op Rousj-Hasjono.
128