„De slagerij er niet aan wagen!”,
Besluit de parnes met zijn vrouw.
„Maar wien te kiezen? D’and’ren geven „Elk aan zijn man hun stem getrouw! „Wien ’k kies, heeft twee, is dus gekozen.
„En ’k gun ’t geen een van al die boozen”...
’t Was één dag later. Onze Nathan Uit Klompemeer komt aangestapt.
Hij was gekleed als nette Sjammes,
Ja, zelf si iets netter nog gekapt.
Hij komt en spreekt heel eloquent Tot den geachten president.
Hij dient zich aan „met vol bewustzijn Van de beteek’nis zijner taak,
Hij durft het doen in ieder opzicht.
Want hij is zeker van zijn zaak.”
De praeses heeft het woord vernomen En is tot een besluit gekomen.
Hij spreekt tot Nathan zeer bedachtzaam:
„Uw kans is slecht.” — Doch denkt zoo stil: „Ik stem op hem, dan ’s niets verloren,
En toon ik toch mijn goeden wil.
En later kunnen wij dan zien,
Wat er nu verder zal geschiên.”
De zitting komt. En allen stemmen Verheugd, dat ’t toch alweer niets geeft. Men opent ’n briefje. — „KaarsemakerV’ Gelach. — Doch als men ’t tweede heeft, Houdt men ’et bevend bij den blaker,
Leest sidd’rend nogmaals: „Kaarsemaker”,
127