Van d’ zoogenaamde ouderlingen Had elk natuurlijk ’n verren neef.
De leden hadden niets te zeggen,
Zoodat het bij die vijf ook bleef.
Maar ieder raadslid hoopte, werkte Met list en diplomatensterkte.
Men weet, hoe hartstocht kan vervoeren Tot lastertaal het vroomst gemoed ...
De praeses bracht zijn man ter tafel.
Geen haartje liet men aan hem goed ... „Als praeses hem niet stil liet loopen,
„Zou niemand vleesch bij praeses koopen!”
Geslagen was het slagersharte Des presidenten uit het veld...
Men liet den bakker-secretaris Bededen met hetzelfde geld.
Die moest zijn kandidaat vergeten,
Of m’ zou geen brood meer van hem eten.
Des penningmeesters buurmans zwager — „Onmoog’lijk” riep de president,
„Dan ga ik heen!” Het was een slager,
Een kleintje, toch een concurrent.
Zoo wist m’ ook elk der ouderlingen Tot ’t afstaan van hun neef tc dwingen.
Verhit, roodshoofds, in felle woede Gaat onverrichter zaak men heen,
Bepaalt de zitting acht daag later;
Benoeming dan; discussie geen.
En ieder wil met d’ vrouw bezinnen,
Wat hij nu eind’lijk moet beginnen.
126