In zak en asch klaagt Boxterode:
„Wie waakt voor Khaal en Godshuis thans? Wie kondigt af nu Khaal’s besluiten?
Wie schaft op Schwoes de bloemenkrans? Wie roept hen op, geeft palm en mirt ze?
En wie gaat op bij miesjejirtse?
Wie zal bij de geheele Khille,
Bij arm en rijk, bij groot en klein De feestbedienaar, doodsbewaker,
Der vreugd, der smarte bode zijn?
Wie noodt nu elke Joodsche ziele Bij bruiloftsdisch of BrishamieleV’
Zoo vragen smartelijk gedenkend Gemeenteleên en kerkeraad;
Totdat die raad, een vijftal mannen,
Diep peinzend ter vergaad’ring gaat.
Want weet, dat ’t oogenblik nu daar is Te zoeken ’n nieuwen functionaris.
Vier gulden ’s weeks en dan nog ruime Emolumenten... ’n goede post!
Men had een vijftal kandidaten,
Geen advertentie had ’t gekost.
Want elk der leden van den raad Had ook zijn eigen kandidaat.
De president had ’n ouden oom;
Verloopen zaak, familiekruis —
Des secretaris’ oude tante
Had nog ’n sjlemiel van ’n zoon in huis — En ’s penningmeesters buurmans zwager Was braaf, maar arm en och! zoo mager.
125