O wee! ... ’et jungske kan niet lezen,
Hij spelt de letters, verder niet.
Men roept den meester, die hem vóórzegt, Doch bleek en sidd’rend voor zich ziet. Men heeft natuurlijk voort-„geoord”,
Doch d’echte vreugde was verstoord.
En Zondagmiddag was vergaad’ring Van alle vijf gemeenteleên.
Ten slotte zond men d’ Ijobs-boodschap Tot Nathan Kaarsemaker heen:
„Besloten is, noa overleg:
Oe kent niks, meister, oe mot weg”.
„Van doag nog krieg oe d’kost, moor verder Mot oe moar van oe eigen teere.”
En Nathan hoort, pakt zaam en wendt Met trots den rug aan Klompemeere. De wrake draagt hij op aan Gode —
Hij richt zijn voet naar Boxterode.
Waarom ging Nathan, zonder dralen, Kordaat van ziel en vlug ter been, Waarom — vraagt gij wellicht, o lezer — Ging hij naar Boxterode heen?
Het zal u spoedig duid’lijk wezen,
Wil slechts een weinig verder lezen.
Een vrees’Hjk onheil, diepbedroevend Voor laatstgenoemde groote stad,
Een sterfgeval in de gemeente,
Een groot verlies had plaats gehad.
De schat, voor zestig jaar verworven,
De oude Sjammes — was gestorven.
124