De leden van „Khaal” Klompemeere Vermoedden daar volstrekt niets van;
Ze gaven ,,d’ kost en vieftig guldens,
En verders gong ’t der lui niks on”.
Doch de aap kwam eindelijk uit de mouw, Toen ’r één harmitswe worden zou.
Er waren hoopen koek gebakken En uit de stad een „pleve” nog;
Het minjan was dien dag voltallig;
Eén was wel kwaad, maar hij kwam toch. Daar roept men den Barmitswe op,
En de verwachting rijst ten top.
Uit ’s jong’lings keel klinkt „Borechoe”
Echt flink, alleen vervaarlijk hoog;
De vader, stralend, ziet in ’t ronde,
En moeder heeft een traan in ’t oog.
Zoo was het knaapje zonder schromen Juist tot het woord „asjèr” gekomen.
O wee! — Hij hikt — hij zwijgt — hikt weêr, Begint te stott’ren en wordt rood;
Men hoort: asj — asj — asjer — asjer ,..
Hij kan niet verder! Bitt’re nood!
’t Had ijzervast er in gezeten En nu is alles glad vergeten.
Er komt rumoer. Men wil hem helpen...
Men roept en zegt hem voor: „hochar"\
De vader kwaad, loopt naar de Biema:
„Gamourem\ j’ maakt ’em in de war\”
Nu spreekt de parnes van de khille:
„Doar jungske, zeg oe ’t uur de tfille”.
123