Maar denk nu eens, die plaats en die aanteekening werd er al bij-gehaald, om de aanvrage over de Haagsche bruggen te verklaren. Ou diable les savants vont nicher leurs nez\
Die geheele synagoge-bouw heeft niets, volstrekt niets met de aanvrage te maken. Ik vermoed, dat de heele verwarring voortspruit uit den brief van Cuperus, of eigenlijk uit de vermoedens en de gesprekken in de Haagsche kringen. Cuperus toch formuleerde zijne vraag aan Wagenseil zoo, gelijk wij zagen, of dan de Joden geene Synagogen mochten bouwen in eene niet ommuurde of niet afgesloten stad. Ik vermoed inderdaad, dat Cuperus met die vraag alleen teruggaf den weerklank der gesprekken, die hij in regeerings-en andere kringen over die zaak hoorde. Of de Joodsche aanvragers zelf door hun vorm of motiveering van hun verzoek aanleiding hebben gegeven tot de dwaling, dat het een ritueel voorschrift omtrent Synagoge-oprichting betrof, weet ik niet.
Want, M. H., het verzoekschrift daaromtrent is — niet te vinden. En de behandeling der zaak in de zittingen van Burgemeester en Schout of Burgemeesters en Schepenen der stad is — niet te vinden. Een besluit ingevolge het verzoek is — niet te vinden. En toch, het moet alles — zoo niet officieel, dan officieus aanwezig geweest zijn — niet alleen, omdat Cuperus het vertelt, ofschoon diens berichten vertrouwbaar genoeg zouden zijn, ja, ook niet alleen, omdat het voorkomt in verschillende Hebreeuwsche boeken uit die tijden, die ik straks nog zal aanhalen, — maar uit de feiten, die spreken —, de bruggen werden veranderd, de slagboomen, later kettingen werden geplaatst —, het feit spreekt — de steenen getuigen —, en nog op dezen oogenblik geschiedt de nawerking der zaak.
Laat ons eerst eens een weinig nagaan, wat Wagenseil antwoordt. Een weinig — omdat dit antwoord bestaat uit een korten brief en eene groote bijgevoegde verhandeling. Den korten brief kan ik u geheel, maar de dissertatie moet ik u, om uwe aandacht niet te misbruiken, in excerpt mededeelen.
Nadat Wagenseil zijnen brief met de uiteenzetting van de gevraagde passages in Jesaja begonnen is, gaat hij voort:
. .. „Vervolgens verheug ik mij, dat ook gij, hooggeacht man, oordeelt, dat de Joden moeten worden vrijgesproken van de schande-
114